Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1)
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
werd op 7 mei 1840 (25 april volgens Russische kalender) in Votkinsk geboren als
tweede kind van Ilja Petrovitsj Tsjaikovski en Alexandra Assier. Zijn vader was
directeur van de ijzermijnen in Kamsko-Votkinsk. Zijn moeder kwam uit een
familie van Franse hugenoten. Haar grootvader was gevlucht voor de revolutie en
had zich in Rusland gevestigd.
Tsjaikovski kreeg zijn
eerste pianolessen toen hij vijf jaar oud was. Drie jaar later kon hij al net zo
goed van blad spelen als zijn leermeester. Het enthousiasme voor muziek van zijn
ouders verdween en in 1850 werd besloten dat hij in Sint Petersburg (zo’n
1.300 km van de woonplaats van zijn ouders) een opleiding tot ambtenaar zou gaan
volgen. Omdat twaalf de minimum leeftijd was moest hij twee jaar voorbereidend
onderwijs volgen, daarna zou hij beginnen aan de zevenjarige opleiding.
Op 25 juni 1854 overleed
zijn moeder aan de cholera. Dit
maakte veel indruk op hem. Enkele maanden later deed hij zijn eerste poging om
iets te componeren: een wals ter nagedachtenis aan zijn moeder.
Mogelijk heeft hij op school
kennis gemaakt met de homoseksuele praktijken, in ieder geval heeft hij in deze
tijd zijn seksuele voorkeur leren kennen. Muziek werd niet belangrijk geacht
voor de opleiding. Tsjaikovski bleef bezig met muziek door samen met andere
studenten naar het theater en de opera te gaan. Na de koorlessen ging hij graag
achter het harmonium zitten om nog wat te improviseren op thema’s die ze net
hadden gezongen. In 1855 regelde zijn vader privé les van de bekende
pianoleraar Rudolph Kündinger. Hij vroeg hem ook naar de vooruitzichten van
zijn zoon. Kündinger was onder de indruk van de improvisaties, maar zag in
Pjotr Tsjaikovski geen componist en ook geen goede pianist. Ilja Tsjaikovski gaf
daarom zijn zoon de opdracht de opleiding te voltooien en dan te solliciteren
bij het ministerie van justitie.
Op 10 juni 1859 kreeg
Tsjiakovski zijn diploma en op 15 juni begon hij bij het ministerie van
justitie. In 1861 woonde hij lessen in muziektheorie bij van Nikolai Zaremba.
Een jaar later volgde hij Zaremba naar het net opgerichte conservatorium in Sint
Petersburg. Hij volgde daar tot en met 1865 lessen in harmonie en contrapunt van
Zaremba en instrumentatie en compositie van Anton Rubinstein, de directeur en
oprichter van het conservatorium. Tsjaikovski besloot om zijn baan niet op te
zeggen, zolang hij niet zeker was dat in de muziek zijn toekomst lag. In 1863
gaf hij zijn baan op om full time te kunnen studeren. Zijn diploma behaalde hij
in december 1865.
Naast zijn diploma had Anton
Rubinstein nog een verrassing voor Tsjaikovski. Zijn broer Nikolai had ook een
conservatorium gesticht (in Moskou) hij zocht daarvoor een leraar harmonie. Zo
kon Tsjaikovski direct aan de slag in Moskou. Naast lesgeven was hij bezig met
zijn composities. Hij begon met het herzien van 2 ouvertures uit zijn
studietijd. De ene in c klein vonden de gebroeders Rubinstein maar niets en deze
raakte kwijt en werd pas in 1922 weer teruggevonden. De andere in F groot werd
voor een compleet orkest uitgewerkt. Deze werd door Nikolai Rubinstein in maart
1866 uitgevoerd en was een groot succes.
Hierdoor geïnspireerd
maakte hij een opzet voor zijn eerste symfonie in g klein. Door een slechte
recensie van zijn eindexamenwerk, de cantate “Aan de vreugde” raakte hij
behoorlijk van slag. Hij reageerde hier nogal heftig op en begon dag en nacht te
werken aan zijn symfonie. Een maand later was hij volledig over de toeren. Hij
knapte op toen hij hoorde dat zijn ouverture met succes in Sint Petersburg was
uitgevoerd, maar toen door het slechte weer zijn reis naar Kamenka niet door kon
gaan, draaide dat weer om. Hij moest noodgedwongen de zomer doorbrengen in het
buitenhuis van de schoonmoeder van zus. Toen hij daar zijn symfonie weer oppakte
ging het weer helemaal mis. De dokter die erbij gehaald was, constateerde dat
Tsjaikovski op het randje balanceerde en hij verbood hem om ’s nacht te
werken. Hierdoor knapte hij weer op, maar had hij minder tijd om te componeren.
Zo kreeg hij de symfonie niet af. Hij legde het tussenresultaat voor aan zijn
leraren uit Sint Petersburg. Zij vonden het niet goed. Het werk moest volgens
hun op vele plekken uitgebreid herzien worden
Terug in Moskou kreeg hij de
opdracht om muziek te schrijven voor het huwelijk van de zoon van de tsaar met
Dagmar van Denemarken. Dit leverde weer uitstel op, uiteindelijk werd de
symfonie in november 1866 afgerond. Nikolai Rubinstein stond erop, dat het werk
eerst in Sint Petersburg zou worden uitgevoerd. De herziene symfonie werd daar
weer afgekeurd. Alleen de twee middendelen werden geschikt voor uitvoering
geacht en op 11 februari 1867 met weinig succes uitgevoerd. Tsjaikovski was
helemaal klaar met alle kritiek en besloot om de herzieningen te schrappen en
terug te gaan naar zijn oorspronkelijke opzet. De symfonie werd voor het eerst
(met succes) uitgevoerd op 3 februari 1868 in Moskou.
In mei 1869 werd Mily
Balakirev op aandrang van de groothertogin Jelena Pavlovna gedwongen ontslag te
nemen bij het conservatorium in Sint Petersburg, omdat zijn muzikale smaak haar
niet aan stond. Tsjaikovski vond dat dit niet kon en nam het op voor Balakirev.
Tsjaikovski zat in die tijd om inspiratie verlegen en omdat Balakirev, die nu
tijd over had, maar bij hem bleef aandringen, begon hij eind oktober met een
componeren van een ouverture voor Romeo en Julia van Shakespeare. Een maand was
de ouverture klaar en konden de partijen uitgeschreven worden. De première was
op 4 maart 1870. Daarna werd al snel besloten om de ouverture uitgegeven.
Tsjaikovki besteedde de zomer en de herfst aan revisies en in mei 1871 werd de
ouverture uitgegeven. In augustus 1880 werd er een derde versie gemaakt.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (2)
In 1868 ontmoette
Tsjaikovski de Belgische sopraan Désirée Artôt. Zij was op tournee door
Rusland. Ze werden op elkaar verliefd en verloofden zich om later te gaan
trouwen. Hij droeg zijn romance op. 5 voor piano aan haar op. Echter een jaar
later, op 15 september 1869, trouwde Désirée Artôt met Spaanse bariton
Mariano Padilla y Ramos. Men denkt, dat hij er vrij gemakkelijk overheen kwam,
maar er zijn ook mensen die daar anders over denken. Zijn zien in het eerste
pianoconcert en het symfonisch gedicht Fatum aanwijzingen naar Désirée Artôt.
Het pianoconcert is in bes klein geschreven. Het tweede thema van het eerste
deel is in Des groot. Dat thema begint met de noten Des A (Désirée Artôt). Het
thema wordt twee keer gehoord en is daarna verdwenen uit het concert. In het
langzame deel (toonsoort Des groot) is het populaire Franse lied Il
faut s’amuser et rire
verwerkt, dat zij in haar repertoire had.
De partituur van het
symfonisch gedicht Fatum is door Tsjaikovksi vernietigd, maar na zijn dood is
uit de orkestpartijen de partituur gereconstrueerd en uitgeven als opus 77.
Andere werken, die met haar in verband worden gebracht, zijn de 3e
symfonie en de ouverture Romeo & Julia. Van deze laatste staat het
liefdesthema in Des groot!
Het eerste pianoconcert
schreef Tsjaikovski in 1874 in de hoop dat Nicolai Rubinstein het wilde
uitvoeren. Drie dagen na de voltooiing speelde hij het eerste deel voor. Tijdens
het spelen bleef het ijzig stil en daarna ook nog. Na een vraag om een reactie
brak er een stortvloed los uit de mond van Rubinstein, hij vond het waardeloos,
knullig, slecht geschreven, onspeelbaar, etc. Hij liet geen spaan heel van het
werk. Tsjaikovski hield zijn mond en verliet de zaal. Rubinstein ging achter hem
aan en gaf aan dat een aantal passages onmogelijk waren en herzien moesten
worden. Hij wilde als de door hem gewenste wijzigingen waren doorgevoerd het
werk wel uitvoeren. Tsjaikovski besloot om geen noot te veranderen en het
precies uit te geven, als hij het had geschreven. De première werd uiteindelijk
in oktober 1875 gegeven in Boston door Hans von Bülow. Nicolai Rubinstein werd
later wel een voorvechter van dit concert.
In de periode van 1867 tot
1878 was Tsjaikovksi docent aan het conservatorium. In deze tijd schreef hij een
aantal van zijn meesterwerken: naast zijn 1e pianoconcert, de
varianties op een Rococo thema voor cello en orkest, de 3e en 4e
symfonie, het ballet het Zwanenmeer en de opera Jevgeni Onegin.
In juni 1877 deed
Tsjaikovski een huwelijksaanzoek aan Antonina Muliukova. Zij trouwden al op 18
juli 1877. Na zes weken was hij in zo’n emotionele crisis, dat zij sindsdien
gescheiden leefden. Om te herstellen ging hij op reis en verbleef hij in
Clarens, Zwitserland. Hier voltooide hij zijn 4e symfonie en Jevgeni
Onegin. Hier in Zwitserland schreef hij zijn vioolconcert.
In Clarens aan het meer van
Geneve kreeg Tsjaikovski bezoek van zijn leerling Yosif Kotek. Deze was voor
vioolstudie naar Berlijn gegaan om bij Joseph Joachim verder te studeren. De dag
na zijn aankomst speelden ze samen de Symphonie Espagnole van Lalo door in een
versie voor viool en piano. Dit inspireerde Tsjaikovski tot het schrijven van
een vioolconcert. Hij voltooide het vioolconcert in een maand. In die tijd had
hij het tweede deel compleet herzien. Een versie van het oorspronkelijke tweede
is bewaard gebleven als de eerste van de Souvenir d’un lieu cher. Voor de
solopartij vroeg Tsjaikovski Kotek om advies. Hij speelde namelijk zelf geen
viool.
Tsjaikovki wilde het concert
opdragen aan Leopold Auer. Hij had eerder voor hem de Sérénade Mélancolique
geschreven en aan hem opgedragen. Zonder overleg had Tsjaikovki al een versie
voor viool en piano laten drukken met de opdracht aan Auer. Hij was daardoor
verrast en toen hij het vioolconcert in zag, werd hij niet enthousiast. Het
eerste deel vond hij wel in orde, maar de overige deel vond hij van mindere
kwaliteit. Bovendien vond dat hij de solopartij moest aanpassen om hem beter
speelbaar te maken. Auer ontkende dat hij het concert onspeelbaar had genoemd.
Kortom: de geplande première ging niet door.
Het concert ging
uiteindelijk in première op 4 december 1881 in Wenen. De solist was Adolph
Brodsky aan wie het concert nu was opgedragen. De kritiek na afloop was niet van
de lucht. De invloedrijke muziekcriticus Eduard Hanslick noemde het concert lang
en pretentieus. Het concert bracht ons oog in oog met muziek die stinkt voor het
oor. Volgens hem werd de viool bont en blauw geslagen. Het laatste deel stonk
Russisch vond hij.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (3)
Vlak voor zijn huwelijk kwam
Tsjaikovski in contact met de rijke weduwe Nadesjda von Meck. Zij
begon van 1877 hem met een jaargeld te ondersteunen onder de voorwaarden
dat zij elkaar nooit zouden ontmoeten. Zij begonnen een geregeld contact per
brief (totaal 1204 brieven). Josef Kotek (die Tsjaikovski hielp met de
vioolpartij van zijn vioolconcert) was muziekleraar bij de von Meck’s. Hij
heeft waarschijnlijk de twee met elkaar in contact gebracht.
Zijn vierde symfonie in f
klein, op. 36 droeg hij aan haar op. In een brief beschreef hij haar het
programma van de symfonie. Dat wordt tegenwoordig met de nodige scepsis bekeken.
Tsjaikovski had de behoefte om aardig te worden gevonden en schreef dan niet wat
hij meende, maar wat de andere leuk vond.
Door de financiële
ondersteuning kon hij in oktober 1878 zijn baan bij het conservatorium opzeggen
en besluiten om zich geheel aan de muziek te wijden. In de periode tot 1884
schreef hij veel werken, maar daarin gaf hij geen uitdrukking aan zijn
persoonlijke gevoelens. De enige uitzondering is zijn pianotrio in a klein op.
50, dat hij schreef naar aanleiding van de dood van Nicolai Rubinstein.
In deze periode schreef hij
ook bekende werken zoals het Capriccio Italien (op. 45), de serenade voor
strijkers (op. 48) en de ouverture 1812 (op.49). Deze laatste schreef hij in
1880 voor de herdenking van de inval van Napoleon in Rusland. Deze had een groot
succes en hierdoor werd zijn naam als componist in Europa gevestigd.
In 1885 schreef hij zijn
ongenummerde (vijfde) symfonie “Manfred” op. 58. Deze gaf aan in welke
richting zijn muziek zich zou ontwikkelen. In dat jaar vestigde hij zich weer in
Rusland. De tsaar vroeg hem om zijn opera Jevgeni Onegin opnieuw uit te voeren.
Deze had nu meer succes en Tsjaikovski kreeg van de tsaar voortaan ook een
jaarlijkse toelage.
Tsjaikovski begon zijn opera
“Vakoela de Smid”, opus 14 uit 1874 te herzien. Deze werd begin 1887
uitgevoerd onder de titel Tsjerevitsjki. Tsjaikovski moest plotseling als
dirigent invallen. Hij dirigeerde wel eens als gastdirigent, maar door dit
voorval overwon hij eindelijk zijn plankenkoorts. Hij begon daarna meer als
dirigent op te treden. Hij ging in 1888 op tournee om overal zijn eigen werken
te dirigeren.
In 1888 schreef hij zijn 5e
symfonie in e klein, opus 64. Deze symfonie gaat van e klein naar E groot,
vergelijkbaar met de 5e van Beethoven, die van c klein naar C groot
gaat. Het bekendste deel van deze symfonie is het tweede met een hoorn solo. Het
derde deel is een wals. Over het laatste deel wordt verschillend gedacht.
Tsjaikovski zelf vond het na de tweede uitvoering een mislukking. Het idee van
door strijd naar overwinning sprak bijzonder aan. Tijdens de belegering van
Leningrad op 20 oktober 1941 werd deze symfonie uitgevoerd. Terwijl de bommen in
de buurt naar beneden kwamen bleef het orkest doorspelen tot de laatste noot.
Deze uitzending werd live uitgezonden in Londen.
Hij schreef zijn tweede
ballet, Doornroosje (op. 66) in 1889. In datzelfde jaar schreef hij weer een
fantasie ouverture op een werk van Shakespeare. Dit keer Hamlet (op. 67a). Twee
jaar later voegde hij daar nog incidentele muziek aan toe (op. 67b). In 1890
volgde de opera Schoppenvrouw (op. 68). Het jaar daarop de opera Yolanta (op.
69). In 1892 volgde zijn derde ballet: De Notenkraker (op. 71).
In 1892 boog Tsjaikovski
zich voor de zevende keer over een symfonie. Deze symfonie in Es groot besloot
hij uiteindelijk niet te voltooien. In de vijftiger jaren van de afgelopen eeuw
is deze symfonie gereconstrueerd en als 7e symfonie uitgegeven en
uitgevoerd.
Goede ideeën moet je niet
weggooien, maar misschien in een andere vorm gieten. Net zo als Brahms een
onvoltooide symfonie omwerkte tot zijn 1e pianoconcert, besloot
Tsjaikovski ook deze route te nemen. Het scherzo had hij daarvoor niet nodig.
Dat nam op in zijn 18 pianostukken op. 72. Van de overige delen wilde hij zijn 3e
pianoconcert gaan maken.
Ondertussen kreeg hij weer
inspiratie voor een symfonie. Dit werd uiteindelijk zijn 6e symfonie
in b klein ‘Pathétique’ op. 74. Hij voltooide de symfonie in augustus 1893.
Op 28 oktober leidde hij de première. Negen dagen later was hij dood.
Over zijn dood zijn meerdere theorieën in omloop. Een daarvan is dat hij aan de
cholera is overleden. In die periode was er een cholera-epidemie en volgens
zeggen had hij een glas ongekookt water gedronken. Andere theorie denken aan
zelfmoord of een complot. We zullen het nooit zeker weten.
Van zijn geplande 3e
pianoconcert had hij alleen het eerste deel klaar. Dat werd apart als op. 75
gepubliceerd. Er werden postuum nog wat werken uitgegeven. De andere twee delen
van het beoogde pianoconcert werden in 1897 als andante in Bes en finale in Es,
op 79 uitgeven. Deze waren bij de dood van Tsjaikovski nog niet gereed. Zijn
leerling Sergei Tanejev heeft deze delen voor piano en orkest geïnstrumenteerd.
Nog steeds is er discussie over wat nu precies Tsjaikovski bedoelingen waren: in
één deel (op. 75) of drie delen (op. 75 + 79).
De promotie van Russische muziek
In de tweede helft van de
negentiende eeuw werd het nationalisme sterker en drong dat ook door tot de
muziek. Componisten werden zich bewust van hun achtergrond en gebruikte
elementen daarvan in de muziek. Dvořák
is daarvan een voorbeeld, denk aan zijn Slavische dansen.
Ook in Rusland speelde dit
fenomeen. Daar was een groep van vijf componisten (ook wel genaamd het machtige
hoopje), die in de periode 1856-1870 elkaar regelmatig ontmoeten in Sint
Petersburg. Het gaat om Mili Balakirev, Aleksander Borodin, César Cui, Modest
Moessorgski en Nikolaj Rimski-Korsakov. Zij streefden ernaar om specifiek
Russische muziek te schrijven en niet de Westerse muziek te imiteren. Zij
geloofden dat het gebruik van volkmuziek en de exotische melodieën en
harmonische en ritmische elementen uit Centraal en Oost Aziatisch deel van het
Russische rijk, tot een eigen Russische muziek zou leiden.
Deze componisten waren niet
academisch gevormd. Volgens Balakirev was een academische opleiding de doodsteek
voor muzikale verbeelding. Het lag dan ook voor de hand dat ze de aanval opende
op het conservatorium en zijn directeur Anton Rubinstein. Tsjaikovski was de
bekendste leerling van Rubinstein. Hij was getraind om te componeren op de wijze
van de Weense Klassieken (Haydn, Mozart en Beethoven). Heel logisch werd
Tsjaikovski dus ook onder vuur genomen. Na het vertrek van Rubinstein uit Sint
Petersburg (1867) werd dat wat minder. Twee jaar later kwam Tsjaikovski zelfs in
een werkrelatie met Balakirev. Het gevolg hiervan is de fantasie-ouverture Romeo
en Julia.
Toen Tsjaikovski positief
schreef over de fantasie op Servische thema’s van Rimski-Korsakov, werd het
welkom geheten in hun midden. Ondanks zijn academische opleiding zagen ze wel
wat in hem. De finale van Tsjaikovski’s tweede symfonie, de Klein-Russische,
werd met veel bijval duur hun ontvangen.
Tsjaikovski bleef met hen op
goede voet staan, maar probeerde wel zijn onafhankelijkheid te bewaren. Dat
hielp bij zijn aanstelling aan het conservatorium van Moskou, dat door Nicolaj
Rubinstein werd geleid. Rimski-Korsakov kreeg naar het vertrek van Zaremba uit
Sint Petersburg een professoraat aangeboden aan het conservatorium. In het begin
zocht hij steun en advies bij Tsjaikovski. Toen de anderen leden van de groep
druk op Rimski-Korsakov uitoefenden vanwege zijn veranderde opvatting over een
academische opleiding, bleef Tsjaikovski hem steunen.
In de tachtiger jaren van de
negentiende eeuw naam de kring rondom Mitrofan Beljajev het stokje over het
machtige hoopje. Beljajev was een rijk geworden houthandelaar en
grootgrondbezitter. In deze kring zaten componisten zoals Nicolaj
Rimski-Korsakov, Aleksandr Glazoenov en Anatoli Ljadov. Deze groep is ontstaan
door een ontmoeting in 1882 tusssen Beljajev en zeventienjarige Glazoenov bij de
première van Glazoenovs eerste symfonie. Beljajev begon zich hierdoor meer in
te zetten voor de promotie van Russische muziek en werd minder actief in de
houthandel.
In 1884 riep Beljajev de
Glinka-prijs in het leven. Deze werd jaarlijks uitgereikt. De eerste winnaars
waren: Borodin, Balakirev, Tsjaikovski, Rimski-Korsakov, Cui en Ljadov.
In 1885 richtte hij in
Leipzig een muziekuitgeverij op (“M.P. Belaieff”) om het copyright op de
Russische muziek te krijgen. Toen gold het copyright nog niet voor Rusland. Hij
publiceerde meer dan 2000 werken. In het begin zocht hij ze zelf uit, maar later
liep hij zich adviseren door zijn kring. Hij betaalde hogere vergoedingen, dan
gebruikelijk en stimuleerde op deze manier de verbreiding van Russische muziek.
Ook meer westers georiënteerde componisten, zoals Tanejef en Skrjabin wisten
hem te vinden.
In 1885 begon Beljajev in
Sint Petersburg met de Russische Symfonie Concerten en 1891 begon in zijn huis
de wekelijkse kwartetvrijdag. Diverse componisten schreven gezamenlijk
strijkkwartetten ter ere van Beljajev en speciaal voor die gelegenheid. Enkele
composities zijn: Het B-La-F-kwartet in 1886 geschreven voor Beljajev door
Borodin, Glazoenov, Ljadov en rimski-Korsakov. In hetzelfde jaar een suite voor
strijkkwartet “De vrijdagen” door Artsiboesjev, Borodin, Blumenfeld,
Glazoenov, Kopylov, Ljadov, D’Osten-Sacken, Rimski-Korsakov, Sokolov en
Wihtol. In 1887 het verjaardagskwartet door Glazoenov, Ljadov en
Rimski-Korsakov. In 1899 variaties op een Russisch thema voor strijkkwartet door
Artsiboesjev, Blumenfeld, Ewald, Glazoenov, Ljadov, Rimski-Korsakov, Skrjabin,
Sokolov, Wihtol en Winkler.
Arno.