Mozart en de
opera (1)
Op 27 januari 1756 werd in Salzburg om 8 uur ’s avonds
Mozart geboren. De volgende dag werd hij gedoopt onder de namen Joannes
Chrystost(omus) Wolfgangus Theophilus. De Latijnse variant van de laatste naam
is Amadeus. Mozart wordt nu algemeen aangeduid met de voornamen Wolfgang
Amadeus.
Zijn muzikale begaafdheid bleek al snel. Op 24 januari 1761
leerde hij zijn eerste klavierstuk spelen. In dit jaar maakte hij ook zijn
eerste composities. In 1763 gaan de familie op een Europese tournee. In begin
1764 worden in Parijs de eerste composities van Mozart gepubliceerd. Later dat
jaar schrijft hij in Londen zijn eerste symfonieën. Eind 1766 komen ze weer
terug in Salzburg.
Zijn succes in Europa leidde tot de eerste opdracht. Elk jaar
voerden de vierdejaars van de universiteit in Salzburg een Latijns toneelstuk
op. Mozart kreeg de opdracht om het muzikale intermezzo te schrijven. Het
toneelstuk heette Clementia Croesi.
Het intermezzo Apollo et Hyancinthus
(KV. 38)[1].
De uitvoering was op 13 mei 1767.
Later dat jaar gingen ze naar Wenen. Het voornaamste doel was
een opera te schrijven voor het hof. Begin 1768 was er de opdracht om La
finta semplice (KV 46a) te schrijven. Door allerlei intriges wordt de
opvoering in september voorkomen. De eerste uitvoering vond pas op 1 mei 1769 in
Salzburg plaats.
Waarschijnlijk werd in september of oktober 1768 in Wenen Bastien
und Bastienne (KV 46b) uitgevoerd. De tekst is een vertaling van het
toneelstuk Les Amours de Bastien et Bastienne. Dat toneelstuk zelf is een
parodie van de opera Le Devin du village
van Rousseau.
Tijdens de eerste Italiaanse reis kreeg Mozart op 12 maart
1770 de opdracht van graaf Carlo di Firmian een uitnodiging om een opera te
schrijven waarmee het seizoen in Milaan zou worden geopend. Op 27 juli kreeg hij
de tekst Mitridate, rè di Ponto (KV
74a). Hij kreeg vijf maanden om de opera te schrijven. De eerste uitvoering op
26 december was een groot succes.
In 1771 kreeg Mozart de opdracht van keizerin Maria Theresa
om een serenata teatrale te schrijven.
Deze was bedoeld voor het huwelijk van aartshertog Ferdinand van Oostenrijk en
prinses Maria Beatrice Ricciarda van Modena uit het huis van Este. De opera zou
de oude hofcomponist Johann Adolf Hasse worden geschreven de jongste componist
de serenata. Op 30 augustus kreeg hij het libretto van Ascanio
in Alba (KV 111). Op 15 oktober werd het huwelijk gesloten. De 16e
werd de opera van Hasse uitgevoerd en op de 17e Mozarts festa
teatrale. Verdere opvoeringen waren er op 19, 24, 27 en 28 oktober. Bij de
uitvoering van de 24e was ook het bruidspaar aanwezig. Zij waren erg
enthousiast over het werk. Hasse schijnt gezegd te hebben: “deze jongen doet
ons in de vergetelheid geraken”.
In het zelfde jaar schreef hij nog een tweede azione
teatrale. Il sogno di Scipione (KV 126). Deze was waarschijnlijk bedoeld voor
het 15-jarig jublileum van graaf Sigismund von Schrattenbach als bisschop van
Salzburg op 10 januari 1772. Schrattenbach overleed plotseling op 16 december
1771, dus ging het feest niet door. De tekst werd aangepast en zo kon deze
serenata opgevoerd worden op 29 april 1772 bij de installatie van graaf
Hieronymus Colleredo als bisschop van Salzburg.
Na het succes van Mitridate,
rè di Ponto besloot men in Milaan op 4 maart 1771 om Mozart uit te nodigen
voor een opera voor het seizoen van 1772-1773. In het najaar van 1772 ontving
hij het libretto van Lucio Silla (KV
135). De première was op 26 december 1772. Voor de opera schreef hij ook een
ballet Le gelosie del Serraglio (KV
135a), waarvan de muziek op een paar schetsen na verloren is gegaan. Op de avond
van de première ging er het nodige fout. Men begon normaal gesproken 1 uur
nadat de klokken hadden geluid voor
de vespers, maar deze keer was dat 3 uur. De uitvoering begon om 8 uur ’s
avond en was pas ’s nachts om 2 uur afgelopen. De Milanezen vonden de opera
geweldig en binnen een maand waren er al 26 uitvoeringen geweest.
Met deze opera brak Mozart met de traditie en kreeg hij geen
verdere uitnodigingen uit Italië meer.
[1] KV = Köchels Verzeichnis. Köchel heeft geprobeerd om een chronologisch opsomming van de werken van Mozart te maken. Apollo et Hyacinthus is daarin het 38e werk. Later bleek de chronologie niet altijd te kloppen, etc. Dit leidde tot herziening van de nummers. Ik gebruik de laatste versie (6e druk).
![]()
Mozart en de
opera (2)
In de loop van 1774 kreeg Mozart een opdracht uit München om
een opera te schrijven. Het uitgangspunt voor La finta giardiniera (KV 196) was het libretto dat Pasquale Anfossi
(1727-1797). Zijn opera was op 26 december 1773 in Rome in première gegaan.
Mozart maakte de recitatieven in tweede en derde acte wat korter en liet uit de
derde acte twee aria’s vallen. Verder nam hij het libretto ongewijzigd over.
Mozart begon in september 1774 in Salzburg met het
componeren. Op 6 december vertrok hij samen met zijn vader naar München. Met
name de recitatieven waren in principe al klaar. De aria’s waren maatwerk voor
de solisten en konden in principe pas voltooid worden nadat Mozart met ze kennis
had gemaakt. Leopold dacht op 14 december dat de repetities voor Kerst zouden
beginnen en de eerste opvoering op 29 december zou zijn. Deze werd uitgesteld
tot 5 januari 1775 om de zangers de tijd te geven hun partij goed uit het hoofd
te leren. Uiteindelijk was de eerste uitvoering op 13 januari. De volgende dag
schreef Mozart een enthousiaste brief aan zijn moeder over de uitvoering. De
tweede uitvoering was op 2 februari. Doordat de sopraan ziek was moest er wat
delen worden weggelaten. De derde en laatste uitvoering was op 2 maart. Pas in
de twintigste eeuw is deze opera weer uitgevoerd.
In het najaar en de winter van 1779-1780 werd de opera door
Mozart herzien en ingekort De tekst werd in het Duits vertaald. In het voorjaar
van 1780 werd deze versie onder de titel Die
verstellte Gärtnerin in Augsburg opgevoerd. Tijdens het leven van Mozart
werd de Duitse versie ook in 1789 zowel in Mainz als in Frankfurt opgevoerd.
Direct na zijn terugkeer in Salzburg in maart 1775 kreeg
Mozart opnieuw een opdracht. Er moesten twee werken geschreven worden voor het
bezoek van aartshertog Maximilian Franz aan Salzach. De aartshertog vertrok op
20 april uit Wenen en kwam op de volgende dag aan in Salzburg. Op de 22e
werd een serenta voor vijf stemmen Gli
orti esperidi uitgevoerd. Deze was gecomponeerd door Domenico Fischietti
(1725-1810) de kapelmeester van het hof in Salzburg. De 23e werd de
serenata voor vijf stemmen Il rè pastore
(KV 208) van Mozart uitgevoerd. Hij was de 2e kapelmeester.
In 1778 ging Mozart op reis naar Mannheim, München en Parijs
om een aanstelling als kapelmeester te vinden. Dat lukte niet, kort na zijn
terugkeer in Salzburg (in 1779) zocht hij een libretto in het Duits. Het was de
Mozarts opgevallen dat men aan diverse hoven Duitstalig theater ging bevorderen.
De volledige titel van het
libretto was Ein musikalisches Singspiel,
genannt: Das Serail. Oder: Die unvermuthete Zusammenkunft in der Sclavery
zwischen Vater, Tochter und Sohn. Hij was hard aan het werk
met dit Singspiel, toen hij uit München de opdracht kreeg voor een opera (Idomeneo)
voor het carnavalseizoen van 1780-1781. Hij legde het werk aan dit Singspiel
stil. Hij had toen 15 nummers gereed (ongeveer driekwart van de muziek). Toen
hij na het succes van Idomeneo weer opdracht kreeg om in Salzburg terug te
keren, brak hij met de bisschop van Salzburg en vertrok naar Wenen. Toen hij
daar een Singspiel nodig had, dacht hij aan deze onvoltooide, maar hij besloot
om een libretto op hetzelfde thema te bestellen. Dat leidde tot Die
Entführung aus dem Serail. Het onvoltooide Singspiel staat tegenwoordig
bekend als Zaide (KV 336b). Om het uitvoerbaar te maken is er een ouverture
nodig, moeten de gesproken dialogen en een finale worden toegevoegd.
![]()
Mozart en de opera (3)
In de loop van 1780 kreeg Mozart een opdracht uit München om
een opera te schrijven voor het Carnevalsseizoen van 1780-1781. We weten niet
wie Gianbattista Varesco heeft uitgekozen om het libretto te schrijven.
Vermoedelijk Mozart. Varesco was vanaf 1766 bij de bisschop van Salzburg in
dienst. Varesco kreeg in de loop van 1780 een gedetailleerd plan om tot een
libretto te komen van Idomeneo, rè di Creta (KV 366). Mozart zette dat
libretto in Salzburg op muziek.
Op 5 november 1780 vertrok Mozart naar München en kwam daar
de 6e aan. De muziek was nog niet voldoende af om met de repetities
te beginnen. Als we naar de correspondentie met Varesco kijken, dan is er twee
maanden geschaafd aan de opera. Op 18 januari 1781 was de opera af. De première
was later die maand op de 29e.
Mozart vond de betaling van München te gering om daar zijn
handschrift van de opera achter te laten en nam dat mee terug. Op 13 maart 1786
werd er in de privé-vertrekken van prins Johann Adam Auersperg in Wenen een
amateur-uitvoering van de opera gegeven. Mozart herzag de opera hiervoor en
schreef een nieuw duet voor sopraan en tenor “Spiegarti non poss’io” (KV
489) en een scène met rondo voor sopraan en viool solo “Non
più, tutto ascoltai … Non temer, amato bene” (KV 490).
Deze opera heeft een
sleutelpositie in Mozarts carrière als operacomponist. Hij overschrijdt de
grenzen van de traditie en combineert invloeden vanuit diverse landen. Enerzijds
vraagt hij zangers, die getraind zijn in de Italiaanse operatraditie, bekend met
de formule recitatief gevolgd door aria als bouwsteen voor de opera. De
recitatieven verliezen wel hun secco karakter (alleen ondersteund door spaarzame
indicatie van de harmonie) en worden tot zogeheten recitativo accompagnato. Hierdoor vervaagt het onderscheid met de aria’s. Anderzijds pakt hij
ook zaken op uit de Franse tragédie
lyrique. Dat blijkt uit het
gebruik van het koor, introductie van priesters en orakelstemmen, maar ook door
marsen en balletmuziek (KV 367) zowel in de opera als aan het eind.
Een goede opera leverde veel geld op. Het succes van Idomeneo
smaakte Mozart naar meer. In Wenen had hij kennis gemaakt met Gottlieb
Stephanie, een toneelschrijver en producent van het Burgtheater. De onvoltooide
opera Zaide was te grof en miste een komisch element. Stephanie beloofde
Mozart een beter libretto: Die Entführung aus dem Serail (KV 384).
Toen hij eind juli 1781 het libretto ontving, was hij daarmee
in zijn nopjes. Mozart begon direct te componeren. Zoals gebruikelijk werd de
muziek pasklaar gemaakt voor de uitvoerders. Voor de rol van Osmin had hij de
beschikking over Karl Ludwig Fischer. Een goede bas met een groot bereik van de
lage C tot de hoge A van een bariton. Hij kom ook goed toonladders en allerlei
loopjes zingen. Kortom de rol van Osmin werd extra uitgewerkt. De zangers waren
ook gewend aan het zingen van Italiaanse opera’s in Duitse vertaling, ze
konden daardoor goed met de rijke melodieën overweg. Mozart koos ervoor om de
volkse karakters simpele muziek te geven, die past bij een Singspiel en de
andere meer complexere muziek passend bij een Italiaanse opera. Het karakter van
pasja Selim was oorspronkelijk bedoeld voor een zanger, maar werd uiteindelijk
alleen maar een spreekrol.
De eerste uitvoering was op 16 juli 1782. De brief van Mozart
aan zijn vader, die hij de volgende dag schreef is helaas verloren gegaan. Uit
andere bronnen blijkt dat de uitvoering een succes was. De opera bleef populair
en was tijdens zijn leven waarschijnlijk het grootste succes zowel in Wenen als
elders.
Op 21 december 1782 schreef Mozart aan zijn vader, dat hij
een uitnodiging had ontvangen om voor het hoftheater een Italiaanse opera te
schrijven. Op 7 mei 1783 schreef hij dat hij na het doornemen van wel 100
libretti nog steeds op zoek was naar een goede. Lorenzo da Ponte was wel als
dichter actief, maar was bezig voor Salieri. Mozart besloot daarom om Varesco
opnieuw te benaderen. Mozart was van eind juli tot 27 oktober 1783 in Salzburg.
Waarschijnlijk is hij in deze periode met het componeren van L’oca del
Cario (KV 422) begonnen. 6 december laat hij zijn vader weten dat hij nog
drie aria’s moest schrijven om de eerste acte af te ronden. Daarna kreeg
Mozart problemen met de tekst van Varesco en vroeg om aanpassingen van de tekst
en het plot. Uiteindelijk gaf hij de hele onderneming op (10 februari 1784).
Ook in 1783 begon Mozart aan een andere opera. In het
voorjaar kwam er een Italiaans gezelschap in Wenen en deze voerden met succes
Italiaanse opera’s uit. Een daarvan was Le donne rivali van Domenico
Cimarosa (1749-1801). Mozart was in de tijd op naarstig op zoek naar een goed
libretto. Toen hij de tekst van deze opera in handen kreeg vroeg hij iemand om
daarvan een bewerking te maken. Dat werd Lo
sposo deluso (KV 424a). Mozart bedacht eerst welke solisten
hij op het oog had om daarna de muziek voor hun op maat te maken. Waarschijnlijk
begon hij in de winter van 1783-1784 serieus met het werk. Na schetsen voor een
aantal aria’s begon hij aan de ouverture met daaraan aansluitend een kwartet,
daarna twee aria’s en nog een terzet. Dit was allemaal bedoeld voor de eerste
acte. Daarna stopte Mozart met het werk. Misschien omdat hij dat jaar geen
opdracht voor een opera kreeg of was hij misschien toch niet tevreden met het
libretto?
Die Entführung aus dem Serail
– synopsis
De nummers verwijzen naar het libretto.
Acte I Belmonte is overal op zoek naar
zijn verloofde Konstanze, die met haar begeleidster Blöndchen in de handen van
Selim Bassa zijn gevallen (1). Als Osmin, de dienaar van Bassa, in de tuin
vijgen komt plukken dan vertrekt Belmonte (2; lied). Belmonte keert terug om van
zijn dienaar Pedrillo nieuws te horen (2; duet). Osmin is boos (3). Belmonte
hoort het nieuws en besluit om Konstanze te ontvoeren (4, 5). Selim verschijnt
samen met Konstanze, hij probeert tevergeefs haar liefde te verkrijgen (6). Op
aanbeveling van Pedrillo neemt de Bassa Belmonte in dienst als bouwer, maar
Osmin weigert hem toe te laten tot het paleis (7).
Acte II Konstanze wijst de ruwe
liefdesbetuiging van Osmin af (8). Na een duet (9) vertrekt Osmin. De wanhopige
Konstanze groet Blöndchen (10) en vertelt haar dat Selim haar liefde eist. Hij
dreigt met geweld om zijn zin te krijgen (11). Nadat zij weg is gegaan komt
Pedrillo. Hij vertelt zijn liefje Blöndchen dat Belmonte in de buurt is en dat
alles klaar is voor een ontsnapping. Blöndchen is opgetogen (12). Pedrillo
nodigt Osmin uit om wat te drinken, hij wil hem dronken voeren (13, 14). Hij
slaagt in zijn opzet en schakelt Osmin uit. Hierdoor kan Belmonte zijn geliefde
Konstanze weerzien (15, 16).
Acte III Belmonte en Pedrillo zijn in de
tuin gekomen met de ladders om te ontsnappen (17, 18). Belmonte slaagt erin om
met Konstanze te ontsnappen, maar als Pedrillo met Blöndchen wil ontsnappen,
dan worden ze gepakt door Osmin (19). Belmonte en Konstanze worden door de wacht
ook weer teruggebracht. Selim Bassa herkent in Belmonte de zoon van een vijand
en wil ze ter dood laten brengen (20). Hij wordt ontroerd door hun zorgen en
vergeeft hun en besluit om ze alle vier vrij te laten (21).
![]()
Mozart en de opera (4)
In 1786 was er een staatbezoek van de hertog en
aartshertogin, die tezamen gouverneur-generaal waren van de Oostenrijkse
Nederlanden aan Wenen. Keizer Joseph II besloot om een festival te houden in de
Orangerie van zijn paleis in Schönbrunn. De bedoeling was om zowel zijn
Italiaanse als zijn Duitse operagezelschep te laten schitteren. Salieri toog
samen met Casti aan de slag voor de Italiaanse bijdrage. Mozart kreeg de
opdracht voor de muziek van het Duitse aandeel en ging met Gottlied Stephanie
jr. aan de slag. Op 18 januari 1786 kreeg hij het libretto van Der
Schauspieldirektor (KV 486) een komedie, die bestaat uit een ouverture, twee
aria’s, een trio en een vaudeville. De muziek was op 3 februari klaar. De
première was op 7 februari. In die maand waren er nog drie herhalingen.
Zodra de aanleiding voor de muziek voorbij was, begonnen de
pogingen om de muziek aan de vergetelheid te ontrukken. Er werden allerlei
verhalen verzonnen om de muzikale nummers in onder te brengen of zelfs de tekst
werd compleet veranderd. Niets was echt succesvol. De muziek op zich verdient
het om gehoord te worden.
Der Schauspieldirektor
was voor Mozart een ongewenste, maar niet te weigeren onderbreking van zijn werk
aan Le Nozze di Figaro (KV 492). Hij
was daaraan in oktober 1785 begonnen en voltooide de opera op 29 april 1786.
Deze opera is gebaseerd op het toneelstuk Le Marriage de Figaro van Beaumarchais. Dit toneelstuk is 1778
geschreven als vervolg op Le Barbier de Séville
uit 1775 (o.a. door Rossini op muziek gezet). De toneelgroep van Emanuel
Schickaneder wilde Le Marriage de Figaro
in een Duitse vertaling opvoeren, maar kregen van de censor geen toestemming.
Uitvoeren werd verboden, maar de tekst mocht wel worden uitgegeven. Mozart was
al sinds 1782 op zoek naar een goed libretto en deze vond hij geweldig. Hij
vroeg Lorenze da Ponte om er een libretto van te maken. Dat was in zes weken
gereed. In grote lijnen was de compositie eind 1785 klaar. Toen begonnen de
intriges. Er moest toestemming van de censor komen om het te mogen uitvoeren.
Casti en Salieri, de rivalen van da Ponte en Mozart probeerde een uitvoering te
voorkomen en ook graaf Orsini-Rosenberg de verantwoordelijke voor de opera deed
alles om de uitvoering te verhinderen. Uiteindelijk was de première op 1 mei
1786. Mozart dirigeerde van achter de piano. Het enthousiasme was groot en het
publiek vroeg om herhalingen. Na de derde uitvoering verbood de keizer om nog
langer te herhalen om te voorkomen dat de uitvoering de hele avond maar
doorging. In december werden uitvoeringen in Praag gestart. Mozart ging daar in
januari 1787 heen en dirigeerde daar zelf ook een uitvoering. Hier kreeg hij ook
de opdracht om een nieuwe opera te schrijven (dat zou Don Giovanni worden). Na Praag trok Figaro verder de wereld in.
Voor een heropvoering in 1789 schreef Mozart de aria “Un
moto di giosa” (KV 579) en “Al desio di chi t’adora” (KV 577).
Don Giovanni
(KV 527) is de tweede opera van Mozart en da Ponte. Hij suggereerde het verhaal
van Don Juan en de stenen gast als onderwerp. Dit was al een oud onderwerp. Voor
inspiratie voor het libretto gebruikte da Ponte de toneelstukken El
burlador de Sevilla uit 1630 van de Spaanse schrijver Tirso de Molina en Le
Festin de pierre van Molière uit 1665. De meeste ideeën kwamen uit het
Spaanse stuk. Daarnaast had hij ook de beschikking over Don Giovanni Tenorio uit 1736 van Carlo Goldoni. De inspiratie kwam
helemaal los toen hij het libretto van Giovanni Gazzaniga zag. Dat was voor een
eenakter, maar met de aanvullende stof kwam er het libretto voor Mozart.
De opera was bedoeld voor het huwelijk van aartshertogin
Maria Theresa (de nicht van keizer Joseph II) en prins Anton Clemens van Saksen.
De eerste uitvoering van de opera was gepland voor 14 oktober 1787. Van Mozart
werd verwacht dat hij in september die delen zou opsturen, die klaar waren,
zodat men deze kon repeteren. Hij deed dat niet, omdat hij de zangers en hun
mogelijkheden al kende. Mozart en zijn vrouw kwamen op 4 oktober aan in Praag.
Tien dagen werden genoeg geacht om de opera klaar te krijgen voor uitvoering.
Mozart kwam erachter, dat men nog nauwelijks voorbereidingen had gemaakt en dat
men geen haast had om alles in het theater klaar te krijgen. Bovendien vielen er
elke week drie avonden uit voor opera-uitvoeringen. Al met al had hij geen tien,
maar vijf dagen ter beschikking. Dat was een onmogelijke opdracht. De première
werd daarom met tien dagen uitgesteld. Dat was te laat voor het huwelijk. De
keizer gaf bevel om op het huwelijk (18 oktober) Le
Nozze di Figaro uit te voeren. Toen ook nog een van de zangers ziek werd,
werd de première van Don Giovanni nogmaals uitgesteld naar 29 oktober. Als laatste
schreef Mozart in de nacht van 27 op 28 oktober de ouverture. De opera werd een
enorm succes.
De verhalen volgden de Mozarts terug naar Wenen. Hij kreeg
van de keizer de opdracht de opera daar uit te voeren. Dat werd 7 mei 1788. Voor
deze uitvoering waren wat aanpassingen nodig. Hij schreef drie nieuwe nummers: “Dalla sua pace” (KV 540a),
“Restitati qua! – Per queste tue manine”
(KV 540b) en “In quali eccesi, o Numi – Mi tradì quell’ alma
ingrata” (KV 540c). Na
vijftien uitvoeringen verdween de opera van het programma en werd pas na de dood
van Mozart opnieuw in Wenen opgevoerd. In de rest van Europa bleef de opera
triomfen halen.
Na twee zulke kassuccessen zou je als componist geen
geldzorgen meer moeten kennen, maar voor Mozart liep het anders. Toen in 1789
Figaro opnieuw werd uitgevoerd gloorde er hoop. De keizer gaf Mozart opnieuw
opdracht om een opera te schrijven. Dat werd Così fan tutte (KV 588). Opnieuw verzorgde da Ponte het libretto.
Dit libretto was voor achttiende-eeuwse begrippen een oorspronkelijke schepping
van da Ponte. Gelijksoortige verhalen en roddels waren wel bekend. In september
1789 was het libretto zover gevorderd, dat Mozart met de compositie kon
beginnen. Tegen eind december konden de eerste repetities met de zangers
beginnen bij Mozart thuis en in januari 1790 werden deze verplaatst naar het
theater. De première was op 26 januari 1790 en er volgden nog vier uitvoeringen
in januari en februari. Toen kwam er een onderbreking vanwege de rouwperiode die
volgde op het overlijden van keizer Joseph II. Na die periode volgde nog vijf
uitvoeringen in de zomer. Na Mozarts dood is de opera in vergetelheid geraakt.
Leopold II, die zijn broer opvolgde, had weinig op met
Mozart. Van het hof behoefde hij weinig te verwachten. Mozart was in 1784
vrijmetselaar geworden. Een van de andere leden was Emanuel Schickaneder. Hij
was directeur van het theater auf der Weiden. Hij voerde dat met zijn gezelschap
toneelstukken, maar ook Singspiele op. Een van de populaire genres was de
zogeheten toveropera. Waarschijnlijk deed hij al in 1789 Mozart de suggestie om
een zo’n opera te schrijven over het verhaal Lulu oder die Zauberflöte. In het laatste jaar van zijn leven had
Mozart veel verplichtingen, zo was hij bezig met een requiem en met een
Italiaanse opera voor Praag. Daar zou in september Leopold II gekroond worden
tot koning van Bohemen. Mozart begon aan Die
Zauberflöte (KV 620) in begin 1791 en was op tijd uit Praag terug om op de
opera te voltooien voor zijn première op 30 september. Op 6 november was al de
vierentwintigste uitvoering. De critici vonden het geen goede opera, maar het
publiek was enthousiast. Eind november werd Mozart ziek en hij overleed 5
december 1791.
La clemenza di Tito
(KV 621) was gebaseerd op een libretto van Metastasio uit 1734. Dat libretto is
tot 1839 totaal vijfenveertig keer op muziek gezet. Op 8 juli 1791 werd het
contract getekend tussen de directeur van het theater en de Boheemse overheid om
bij de kroning voor een spektakel te zorgen. Hij moest zelf maar voor een
componist zorgen. Waarschijnlijk begon Mozart later in die maand met de
compositie. Hij liet door Caterino Mazzolà het libretto aanpassen. Pas half
augustus wist Mozart wie de zangers werden. Dat betekent dat hij het grootste
deel van de muziek pas kon schrijven in de drie weken, die hem nog restte tot de
première. Deze galavoorstelling was op 6 september 1791 voor louter
hooggeplaatste gasten. Latere uitvoeringen waren ook een succes.
![]()
Mozart en de opera (5)
In de eerste vier afleveringen hebben we de opera’s van
Mozart aan de orde laten komen. Hij was ook op een andere manier bij opera’s
betrokken. In de achttiende eeuw werden de aria’s pasklaar gemaakt voor de
zangers. Als er dan een heropvoering kwam met andere solisten, dan hadden deze
noten op hun zang wat betreft de zangpartijen. Er waren solisten, die perse een
voor hun geschreven aria wilde zingen ongeacht de rest van de opera. Een andere
variant was het weglaten of toevoegen van nieuwe aria’s die passen binnen het
verhaal. Mozart deed voor zijn eigen opera’s, maar ook voor opera’s van
anderen.
In het najaar van 1775 bezocht een Italiaans operagezelschap Salzburg. Zij voerde diverse opera’s uit.
Voor welke opera Si
nostra la sorte (KV 209) bedoeld is niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk
is dat L’Astratto van Piccinni
waarvoor hij in ieder geval Con ossequio,
con rispetto (KV 210) en Clarice cara
mia sposa (KV 256) schreef.
Voor de opera Le Nozze
di Dorinda van Galuppi schreef Mozart een aria voor scene 4 van de eerste
acte Voi avete un cor fedele (KV 217).
In 1783 werd in Wenen Il
curioso indiscreto van Anfossi opgevoerd. Voor zijn schoonzus Aloysia Weber
Lange schreef hij drie aria’s voor deze opera: Vorrei spiegarvi, oh Dio! (KV
418), No, no, che non sei capace (KV
419) en Per pietà non ricercate (KV
420).
Voor Karl Ludwig Fischer, die de rol van
Osmin in Die Entführung aus dem Serail
zong, schreef Mozart Così dunque tradisci
… Aspri rimorsi atroci (KV 421a). Deze aria is bestemd voor de opera Temistocle
van Bernasconi.
In 1785 is voor de heropvoering van La
villanella rapita van Bianchi Dite
almeno in che mancai (KV 479) en Mandina
amabile (KV 480).
In 1788 is Un bacio di mano (KV 541) geschreven. Deze
aria is voor de opera Le gelosie fortunate
van Anfossi.
In 1789 schreef Mozart Alma
grande e nobil core (KV 578) voor een heropvoering van I
due baroni di Rocca Azzura van Cimarosa.
Van hetzelfde jaar is de onvoltooide aria Schon
lacht der holde Frühling (KV 580). Deze was bedoeld voor een Duitstalige
versie van Il barbiere di Siviglia van Paisiello. Josefa Hofer een andere
schoonzus van Mozart had daarin een rol.
Ook schreef hij twee aria´s voor de opera Il
burbero di buon cuore van Soler. Dat zijn Chi sà,
chi sà, qual sia (KV 582) en Vado, ma
dove? (KV 583).
De aria Rivolgete a lui
lo sguardo (KV 589) was oorspronkelijk bedoeld voor Mozarts eigen Così
fan tutte (KV 588). Deze aria is al voor de première uit de opera gelicht
omdat deze te lang was.
Naast deze aria’s, die direct aan opera-uitvoeringen te
koppelen zijn, schreef Mozart ook een hele rij van concertaria’s. Deze zijn
uit een libretto gelicht en worden buiten de context van een opera uitgevoerd.
De mars van de Janitsaren uit
Die Entführung aus dem Serail
Deze mars (nummer 5a) is niet in de oorspronkelijke partituur
te vinden. Op de lege bladzijde tussen nummer 4 en 5 heeft iemand (niet Mozart)
geschreven: N.B. hier volgt een mars. In oude afschriften van de partituur is de
mars bewaard gebleven. De reden voor het toevoegen is de tijd die nodig is om de
scenewisseling tussen de nummers 4 en 5 door te voeren. Tijdens de repetities
kwam men er achter dat er meer tijd nodig is. Om die te maken is besloten de
mars in te voegen.
De vraag is of deze mars door Mozart speciaal voor de opera
is geschreven. Misschien had hij deze meegenomen uit Salzburg. In een brief van
26 september 1781 aan zijn vader heeft hij het over het “zuipduet”. Dat is
mogelijk nummer 14. Misschien is dat ook overgenomen uit een eerder werk, dat
Mozart aanduidt met de titel Türkischer
Zapfenstreich. Over dit muziekwerk is verder niets bekend.
![]()
Mozart en de opera (6)
“Een goede opera levert veel geld op.”, schreef ik al
eerder. Aan een opera is veel te verdienen als deze in de smaak valt bij het
publiek. Deze smaak veranderde in
de Mozarts tijd in Wenen enkele keren. Toen hij naar Wenen verhuisde waren
Duitse opera’s in de mode. Zijn eerste opera voor Wenen was Die Entführung aus dem Serail. Het was tijdens zijn leven ook zijn
grootste succes.
Enkele jaren later waren het toch de Italiaanse opera’s die
in de mode waren. Mozart schreef in die tijd speciaal voor Wenen: Le
Nozze di Figaro
en Così fan tutte.
Een nieuwe trend begon in 1789. Emanuel Schikaneder kwam met zijn
operagezelschap weer terug naar Wenen en streek neer in het Theater auf der
Wieden in een voorstad van Wenen. Hij
begon daar met Duitse opera´s op exotische onderwerpen of sprookjes gebaseerd.
Als eerste opera kwam daar in april en mei 1789 Die Entfùhrung aus dem
Serail op de planken. Hij speelde zelf ook graag mee en had dan bij voorkeur
de rol van een hansworst. In de zomer werd Der dumme Anton im Gebirge
opgevoerd. Hij had deze zelf samengesteld. In 1790 begon de serie met
sprookjesopera´s.
De eerste was Der Stein der Weisen oder Die Zauberinsel. Van deze
opera is 1996 een handschrift herontdekt door David J. Buch in een bibliotheek
in Hamburg. Deze opera bevat het duet Nun, liebes Weibschen (KV 592a).
Daarvan werd altijd gedacht dat Mozart alleen de orkestratie had gemaakt en dat
de componist de zanger Benedikt Schack was. Het bijzonder van het handschrift
uit Hamburg, (dat in 1991 door de Sovjets was teruggeven aan Duitsland,) was dat
bij de meeste nummers staat wie de componist is. De opera is door een vijftal
geschreven, die allemaal ook met Die Zauberflöte te maken hadden. Dat
zijn Johann Baptist Hennenberg, die de repetities en de meeste uitvoeringen van
de Zauberflöte dirigeerde, Benedikt Schack, de eerste Tamino, Franz
Xaver Gerl, de eerste Sarastro, Emanuel Schikaneder, de eerste Papageno en
Wolfgang Amadeus Mozart. Het handschrift stelt dat Mozart de componist van dat
eerdergenoemde duet is en ook nog twee gedeelten uit de tweede acte: Het begin
van de finale Miau!, Miau! en scene 25 Fort, armer Jungling.
Buiten de discussie over hoeveel Mozart bijgedragen heeft aan Der
Stein der Weisen is er ook oog voor het voorbeeld van deze opera voor Die
Zauberflöte. Tussen deze twee opera’s in zit nog een derde. Hieraan heeft
Mozart niet meegewerkt, dat is Der wohltätige Derwisch oder die Schellekappe.
Wie precies deze opera hebben geschreven is niet bekend, maar waarschijnlijk
dezelfde groep met uitzondering van Mozart die Der Stein der Weisen had
geschreven. Alle drie de libretti komen uit hetzelfde boek Dschinnistan
van Christoph Martin Wieland. De verdeling van soort rollen is voor alle drie
vergelijkbaar. De held is een prins: Nadir (in Der Stein der Weisen),
Sofrano (Der wohltätige Derwisch), Tamino (Die Zauberflöte). De
held heeft een komische boerse begeleider (respectievelijk Lubano, Mandolino,
Papageno). Deze rollen werden vervuld door Emanuel Schikaneder. Die begeleider
heeft een vrouwelijke tegenhanger (Lubanara, Mandolina en Papagena). De prins
probeert een prinses voor zich te winnen (Nadine, Zenomide en Pamina). In alle
drie de gevallen is er een mysterieuze bewaker, die de prins helpt om de kwade
machten te overwinnen. In alle drie de opera’s zijn er magische voorwerpen
(een zwaard en een vogel (weergegeven door een fluit); een buidel, trommel en
klokken; fluit en klokken).
Het grootste succes van dit concept was Die Zauberflöte met 233
opvoeringen. Na Mozarts dood werd de serie voortgezet met Moses oder der
Auszug aus Ägypten (première in mei 1792; geflopt) geschreven door Franz
Xaver Süssmayr (hij voltooide het requiem van Mozart). Süssmayr schreef in
1794 Die Spiegel von Arkadien, die opera had meer succes en werd door
heel Europa gespeeld.
In 1798 zorgde Schikaneder voor een vervolg op Die Zauberflöte.
Dat werd door de componist Peter von Winter gecomponeerd. De titel luidt: Das
Labyrinth oder der Kampf met den Elementen. Deze opera kreeg in Wenen 77
uitvoeringen. Er zijn in die tijd
nog meer opera’s geschreven voor/door het gezelschap rondom Schikaneder, maar
daar ga ik verder niet op in.