maart 2006

 

De familie Strauss (2)

 

Johann Strauss (Sohn) had als orkestleider en componist tijdens zijn leven groot succes – alleen zijn opera Ritter Pázmán (1892) werd een fiasco. Zijn talrijke buitenlandse concertreizen door Europa, die hem tot een welgesteld man maakte, noodzaakten hem reeds vanaf 1853 de leiding van zijn orkest regelmatig over te laten aan zijn broer Josef Strauss (1827-1870), die na een technische opleiding tenslotte toch tot de muziek was teruggekeerd. Ook hij schreef vele dansmuzieken en marsen, waaronder de walsen Dorfschwalben aus Österreich, Delirienwalzer en Mein Lebenslauf ist Lieb und Lust.

 

De jongste van het drietal Eduard Strauss (1834-1916) speelde aanvankelijk in het orkest van zijn oudere broers. Hij na Josefs dood de leiding over. Als componist was hij vruchtbaar, maar weinig origineel. Op een van zijn vele concertreizen ontbond hij het orkest (1902) en uit ergernis over het misbruik dat van de familienaam werd gemaakt, liet hij vijf jaar later ook alle partituren verbranden.

 

Zijn zoon Johann Strauss (Enkel) (1866-1939) was de laatste muzikale telg uit het geslacht en heeft als dirigent in Wenen en Berlijn de familietraditie voortgezet.

 

 

Overgenomen door Arno uit de Spectrum encyclopedie van 1980.