|
De familie
Strauss (2) Johann
Strauss (Sohn) had als orkestleider en componist tijdens zijn leven groot
succes – alleen zijn opera Ritter Pázmán (1892) werd een fiasco. Zijn
talrijke buitenlandse concertreizen door Europa, die hem tot een
welgesteld man maakte, noodzaakten hem reeds vanaf 1853 de leiding van
zijn orkest regelmatig over te laten aan zijn broer Josef Strauss
(1827-1870), die na een technische opleiding tenslotte toch tot de muziek
was teruggekeerd. Ook hij schreef vele dansmuzieken en marsen, waaronder
de walsen Dorfschwalben aus Österreich, Delirienwalzer en Mein Lebenslauf
ist Lieb und Lust. De jongste van het drietal
Eduard Strauss (1834-1916) speelde aanvankelijk in het orkest van zijn
oudere broers. Hij na Josefs dood de leiding over. Als componist was hij
vruchtbaar, maar weinig origineel. Op een van zijn vele concertreizen
ontbond hij het orkest (1902) en uit ergernis over het misbruik dat van de
familienaam werd gemaakt, liet hij vijf jaar later ook alle partituren
verbranden. Zijn zoon Johann Strauss
(Enkel) (1866-1939) was de laatste muzikale telg uit het geslacht en heeft
als dirigent in Wenen en Berlijn de familietraditie voortgezet. Overgenomen door Arno uit de
Spectrum encyclopedie van 1980. |
![]()