februari 2006

 

De familie Strauss (1)

De naam Strauss kreeg in het Weense muziekleven het eerst bekendheid met Johann Strauss (Vater) (1804-1849). Deze trad in 1818 als violist en later hulpdirigent toe tot het ensemble, gevormd door Joseph Franz Karl Lanner (1801-1843), dat dansmuziek speelde: Ländler, galop en vooral de Weense wals, die aanvankelijk als onrustig en familiaar geminacht, sedert het Wener Congres (1814-1815) als teken van de nieuwe tijd tot een ware rage was uitgegroeid. Beide mannen droegen aan deze ontwikkeling als orkestleider en dirigent actief bij. Strauss vormde in 1825 zijn eigen ensemble, waarmee hij vanaf 1833 concertreizen door hel Europa maakte. Hij liet bij zijn dood ruim 250 composities na, waaronder ruim 150 walsen en de bekende Radetzky-mars, in 1848 geschreven naar aanleiding van de successen die maarschalk Joseph radetsky tegen de Italianen had geboekt.

 

Uit zijn huwelijk (1825) met Anna Streim waren inmiddels drie zonen geboren waarvan de oudste, Johann Strauss (Sohn) (1825-1899), de familietraditie voortzette, hoewel zijn vader hem een ander beroep had toebedacht en hij slechts heimelijk met steun van zijn moeder piano- en vioollessen had kunnen nemen. Op 15 oktober 1844 maakte hij zijn debuut, maar met een eigen orkest, omdat zijn vader inmiddels gescheiden was gaan leven. Na diens overlijden voegde hij beide orkesten samen en gold al spoedig te Wenen als de “Walzerkönig”. Deze naam verdiende hij in ieder opzicht, niet alleen door het grote aantal en de zwier van de walsen, die hij componeerde, maar ook omdat hij deze dansvorm uitbouwde tot een volledig concertstuk: een reeks van vijf of meer walsen met een introductie en afgesloten met een stretta, een slotdeel in versneld tempo.

 

Het merendeel van de walsen ontstond in de jaren zestig, o.a. Accelerationen, Morgenblätter, An der schönen blaue Donau, Künstlerleben, G’schichten aus dem Wienerwald en Wein, Weib und Gesang. Van latere tijd dateren Wiener Blut, Rosen aus dem Süden en de Kaiserwalzer. Daarnaast schreef hij een groot aantal polka’s, marsen en galops.

 

Naar men zegt op aandringen van de schepper van het genre, Jacques Offenbach (1819-1880), waagde Strauss zich, te beginnen met Indigo und die vierzig Räuber (1871), ook op het gebied van de operette. Hiervan ontwikkelde hij met Franz von Suppé (1819-1895) en Karl Millöcker (1842-1899) een typisch Weense versie. Werken als die Fledermaus (1874), Eine Nacht in Venedig (1883) en Der Zigeunerbaron (1885) wisten zich een vaste plaats op het repertoire te verwerven.

 

(wordt vervolgd)

 

Overgenomen door Arno uit de Spectrum encyclopedie van 1980.