|
De familie Strauss (1) De naam Strauss kreeg in het
Weense muziekleven het eerst bekendheid met Johann Strauss (Vater)
(1804-1849). Deze trad in 1818 als violist en later hulpdirigent toe tot
het ensemble, gevormd door Joseph Franz Karl Lanner (1801-1843), dat
dansmuziek speelde: Ländler, galop en vooral de Weense wals, die
aanvankelijk als onrustig en familiaar geminacht, sedert het Wener Congres
(1814-1815) als teken van de nieuwe tijd tot een ware rage was
uitgegroeid. Beide mannen droegen aan deze ontwikkeling als orkestleider
en dirigent actief bij. Strauss vormde in 1825 zijn eigen ensemble,
waarmee hij vanaf 1833 concertreizen door hel Europa maakte. Hij liet bij
zijn dood ruim 250 composities na, waaronder ruim 150 walsen en de bekende
Radetzky-mars, in 1848 geschreven naar aanleiding van de successen die
maarschalk Joseph radetsky tegen de Italianen had geboekt. Uit zijn huwelijk (1825) met
Anna Streim waren inmiddels drie zonen geboren waarvan de oudste, Johann
Strauss (Sohn) (1825-1899), de familietraditie voortzette, hoewel zijn
vader hem een ander beroep had toebedacht en hij slechts heimelijk met
steun van zijn moeder piano- en vioollessen had kunnen nemen. Op 15
oktober 1844 maakte hij zijn debuut, maar met een eigen orkest, omdat zijn
vader inmiddels gescheiden was gaan leven. Na diens overlijden voegde hij
beide orkesten samen en gold al spoedig te Wenen als de “Walzerkönig”.
Deze naam verdiende hij in ieder opzicht, niet alleen door het grote
aantal en de zwier van de walsen, die hij componeerde, maar ook omdat hij
deze dansvorm uitbouwde tot een volledig concertstuk: een reeks van vijf
of meer walsen met een introductie en afgesloten met een stretta, een
slotdeel in versneld tempo. Het merendeel van de walsen
ontstond in de jaren zestig, o.a. Accelerationen, Morgenblätter, An der
schönen blaue Donau, Künstlerleben, G’schichten aus dem Wienerwald en
Wein, Weib und Gesang. Van latere tijd dateren Wiener Blut, Rosen aus dem
Süden en de Kaiserwalzer. Daarnaast schreef hij een groot aantal
polka’s, marsen en galops. Naar men zegt op aandringen
van de schepper van het genre, Jacques Offenbach (1819-1880), waagde
Strauss zich, te beginnen met Indigo und die vierzig Räuber (1871), ook
op het gebied van de operette. Hiervan ontwikkelde hij met Franz von Suppé
(1819-1895) en Karl Millöcker (1842-1899) een typisch Weense versie.
Werken als die Fledermaus (1874), Eine Nacht in Venedig (1883) en Der
Zigeunerbaron (1885) wisten zich een vaste plaats op het repertoire te
verwerven. (wordt vervolgd) Overgenomen door Arno uit de
Spectrum encyclopedie van 1980.
|
![]()