In de loop der eeuwen is de
reden om muziek te schrijven verandert. Vroeger was het directe gebruik de
aanleiding. Componist was een gewoon beroep en zoals een schoenmaker schoenen
maakt, zo maakt een componist composities voor direct gebruik. Eerst werd niet
alles vastgelegd. Bijvoorbeeld van opera’s van Monteverdi is de melodie en de
bas vastgelegd. De benodigde instrumenten zijn niet voorgeschreven. Dat betekent
dat er bij uitvoering diverse vragen beantwoord moeten worden. Zoals welke
instrumenten zet ik in? Welke partij spelen ze? Spelen ze met de zangstem mee of
met de bas of spelen (improviseren) ze iets dat met die partijen harmonieert? De
partijen zijn redelijk simpel genoteerd en bieden ruimte voor versiering. Welke
versiering speel je? Dat was een kwestie van smaak.
In de loop van de Barok werd
er steeds meer vastgelegd. De bas werd becijferd, daarmee werd de harmonie
vastgelegd. De muziek werd meer toegesneden om het instrument. De uitgevers
namen er nog wel een loopje mee en vermelde dan bij een vioolsonate dat deze was
voor viool of fluit en bas. Johann Sebastian Bach was een van de eerste die ook
de versieringen ging uitschrijven. Zo raakte de ruimte voor improvisatie steeds
meer beperkt.
Antonio Rosetti was een
broodschrijver. Hij schreef in februari 1784 de partita voor blazers, die we
gaan spelen. Omdat het hof te Oetingen-Wallerstein niet de beschikking had over
twee fagotten, schreef hij een fagot en een violone voor.
Wolfgang Amadeus Mozart werd
op 27 januari 1756 in Salzburg geboren. Zijn vader was daar in dienst van de
bisschop van Salzburg. De talentvolle Mozart kwam logischerwijs daar ook in
dienst. Hij had al een aantal keren geprobeerd om ergens anders een aanstelling
te krijgen, maar dat lukte niet. In 1781 werd hij er letterlijk uitgeschopt. Hij
vertrok naar Wenen om daar als freelancer te werken. Hij gaf les en organiseerde
concerten. Hiervoor schreef hij de meeste muziek zelf. Toch vond hij ook tijd om
muziek voor zijn vrienden te schrijven. Het handschrift van het derde
hoornconcert is niet gedateerd, maar is op papier geschreven dat Mozart in 1786
en 1787 gebruikte. Het hoornconcert is voor Joseph Leutgeb geschreven. Hij had
tot 1773 als hoornspeler in Salzburg gewerkt en was toen naar Wenen verhuisd.
Daar had hij samen met zijn vrouw een kaaswinkel. Hij bleef actief als freelance
hoornspeler. Bij Mozart zien we dat de enige ruimte die een solist nog had voor
eigen inbreng de cadens was. In een concert wordt in een of meer delen rekening
gehouden met een cadens. In het hoornconcert dat wij spelen is dat tegen het
einde van het eerste deel.
Zo zien we dat de partita
van Rosetti als een ambachtelijk werk is ontstaan om daarmee zijn brood te
verdienen. Het hoornconcert van Mozart was een cadeautje voor een vriend. Hoe
zit het met Haydn?
Joseph Haydn werd op 31
maart 1732 in Rohrau geboren. Hij kwam in 1761 in dienst van de familie Esterházy.
Zijn muziek was exclusief voor hen bedoeld. In de loop der tijd werd oogluikend
toegestaan dat er toch muziek gepubliceerd werd. Zo werd Haydn ondanks zijn
afgezonderde leefomgeving toch beroemd. In 1790 overleed zijn werkgever vorst
Nikolaus I. Zijn opvolger stuurde Haydn met pensioen. De impresario Johann Peter
Salomon greep zijn kans en haalde Haydn naar Engeland. Dit was voor hem een
mooie kans om zijn pensioen aan te vullen. In deze tijd ontstonden de 12
Londense symfonieën. De 100e symfonie bijgenaamd de militaire is in
1794 tijdens zijn tweede bezoek aan Engeland geschreven.
De neiging om alles van de
muziek te proberen vast te leggen ging in de negentiende eeuw verder. Beethoven
gaf eerst nog ruimte voor cadensen in zijn concerten maar bij zijn laatste
pianoconcert zijn deze gewoon in de solopartij uitgeschreven. De componist ging
ook daar de vrijheid van de solist beperken.
In die tijd werd ook de
metronoom uitgevonden en begon men ook het tempo vast te leggen met
metronoommarkeringen. Beethoven deed daar aan het eind van zijn leven ook aan
mee, maar er zijn nog meningsverschillen wat hij daarmee bedoelde. Een van de
vragen is of een tik van de metronoom elke keer komt als de wijzer van richting
verandert of als de metronoom een keer heen en weer is gegaan (dat scheelt de
helft).
Bij Beethoven zien we ook de
verandering van de componist, die voor zijn brood muziek schrijft om zijn
opdrachtgevers of het publiek te behagen, naar de componist, die in zijn muziek
wil uitdrukken, wat hij nodig vindt. In zijn laatste stijlperiode schreef hij
muziek de bewonderd werd, maar niet echt werd nagevolgd.
Arno.