In de achttiende eeuw werden
serenades, divertimenti, partita’s voor orkest, kleinere bezetting of alleen
blazers geschreven voor feestelijke gelegenheden of voor verstrooiing bij de
maaltijden.
Een Musikalisches Lexikon
uit 1802 omschrijft harmoniemuziek als die muziek, die voor louter
blaasinstrumenten is geschreven en die gewoonlijk voor 2 hobo’s, 2
klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten geschreven is. Het gaat hierbij om speciaal
voor deze bezetting geschreven muziekstukken, die de naam Partita dragen en die
uit verschillende delen bestaan. Ook kan men opera’s en andere muziekstukken
die niet voor deze bezetting geschreven zijn voor harmonie arrangeren.
Mozart gebruikt deze
gewoonte bij een maaltijdscène in een opera, waar hij de blazers een bewerking
van een eerdere opera laat spelen.
Rosetti was aan het begin
van de tachtiger jaren van de achttiende eeuw in dienst van het hof van
Oettingen-Wallerstein. Daar moest hij het doen met de beschikbare blazers. Een
octet voor blazers behoorde daar niet tot de mogelijkheden, omdat hij maar één
fagot ter beschikking had. In 1781 schreef hij 3 partita’s voor 2 hobo’s, 2
klarinetten, 2 hoorns en fagot (Murray B1 t/m B3). In 1784 koos hij voor een
andere oplossing. De partita die de blazers spelen heeft als titel “Parthia in
D à 2 Flauti, 2 Oboe, 2 Clarinetti in A, 2 Corni in D, Fagotto è Violono. Da Antonio Rosetti; composta nel mese di febraro 1784”
(Murray B4). In plaats van een fagottenpaar wees hij de tweede
partij aan de wel beschikbare violone toe.
De gebruikelijke vorm met
blaasinstrumenten in paren werd in de negentiende eeuw verlaten. Toen werd het
blaaskwintet met fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn populair. Mogelijk was
Rosetti de eerste, die zo’n kwintet schreef. Hij schreef al in 1778 of 1779
zo’n kwintet in de toonsoort Es (Murray B6). In 1782 gaf de uitgever Sieber
daarvan een bewerking uit in de toonsoort F.
Arno.