archief

 

01 Mijn broer is een bekende componist deel 1

02 Mijn broer is een bekende componist deel 2

03 Haydn - Der Sturm

04 Beethoven en Wilms

05 Singspiel Fernando (het verhaal)

06 Händels Schaduw

07 De hoornconcerten van Rosetti

08 Wanneer is een componist een blijvertje?

09 De onvoltooide van Schubert deel 1

10  De onvoltooide van Schubert deel 2

11  Toneelmuziek Egmont

12  Joseph Fiala

13 Hoeveel pianoconcerten schreef Beethoven?

 

 

"Mijn broer is een bekende componist" (1)

 

De bekendste familie met meerdere componisten is de familie Bach, ongeveer 250 jaar lang waren leden van deze familie actief als musicus en/of componist. Andere voorbeelden met meerdere componisten uit een familie zijn de families Scarlatti, Wagner, Mozart, Couperin en Andriessen. Het komt ook voor dat er uit hetzelfde gezin meerdere componisten komen.

In 1728 trouwde Mathias Haydn met Maria Koller en vestigde zich in Rohrau. Zij kregen totaal 12 kinderen, waarvan er 6 volwassen zijn geworden. Onder hen waren de broers Frans Joseph ( 1732- 1809), waarvan wij de cantate "Der Sturm" spelen, Johann Michael (1737-1806) en Johann Evangelist (1743-1805).

Als wij tegenwoordig over Haydn hebben, bedoelen we altijd de oudste van deze drie. AI op jonge leeftijd bleek Joseph muzikaal begaafd. Op vijfjarige leeftijd verhuisd naar het gezin van een neef van zijn vader. Die was schoolmeester en voorganger van de kerk in Hainburg, niet ver van Rohrau. Deze neef was daar verantwoordelijk voor de muziek. Joseph kreeg daar les in viool- en klavierspel. Op zesjarige leeftijd moest hij plotseling de paukenist vervangen en na enkele lessen, deed hij dat uitstekend. In 1740 werd Joseph door Reutter ontdekt. Deze beroemde koordirigent zocht  nieuwe koorzangers voor het koor van de Weense Stephansdom. In 1745 kwam zijn broer Michael ook naar dat koor.

Toen Joseph zo'n 17 jaar oud was kreeg hij de baard in de keel en moest het koor verlaten. Na diverse omzwervingen en betrekkingen kwam hij in 1761 in dienst van de familie Esterházy. Tot zijn dood is hij formeel bij die familie in dienst gebleven en heeft hij 4 prinsen gediend. Prins Paul Anton I stierf in 1762 en werd door zijn broer Nicolaas I opgevolgd. Deze had de bijnaam de 'prachtlievende' en deed zijn best om ook op muziekgebied uit te blinken. Toen Nicolaas I in 1790 overleed werd hij opgevolgd door zijn zoon Paul Anton II. Deze had geen belangstelling voor muziek en stuurde Haydn met pensioen. Zijn zoon Nicolaas II wilde het Esterházy-orkest weer heroprichten. Haydn moest daardoor weer een actiever rol spelen. In deze periode moest hij missen schrijven voor de naamdager van de vrouw van de prins. Joseph heeft er 6 geschreven. Later is deze serie voortgezet door Beethoven (mis in C, opus 86) en de feitelijke opvolger van Joseph, Johann Nepomuk Hummel. (5 missen).

Toen Michael zo'n 17 jaar oud was kreeg hij de baard in de keel en moest het koor verlaten. Na diverse omzwervingen en betrekkingen kwam hij in 1762 in dienst van de bisschop van Salzburg (waar ook de Mozarts in dienst waren). Als de Mozarts het over Haydn had, dan bedoelde zij daar Michael mee. Een van de symfonieën van Michael heeft tot begin vorige eeuw bekend gestaan als de 37e symfonie van Wolfgang Amadeus Mozart. Toen bleek dat Mozart gewoon een symfonie van Michael had genomen en aan het eerste deel een langzame inleiding had toegevoegd.

Michael had de pech vijf jaar jonger te zijn, dan zijn broer Joseph en daardoor is hij lang in de schaduw van zijn broer gebleven. Momenteel loopt er onderzoek naar handschriften die in Oostenrijk en omstreken zijn bewaard gebleven en toegeschreven zijn aan een van de beide Haydns. Men probeert per broer een onderscheid te maken in

1. Werken waarvan het originele handschrift van de componist bezitten. Dat lijkt helder, maar soms kopieerde de één een compositie van de ander.

2. Kopieën van werken waarvan volgens een catalogus uit die tijd blijkt dat één van beide de componist is. Als een werk in een catalogus staat, dan is dat nog geen garantie dat dat werk ook van die componist is. Het bekendste voorbeeld zijn de 6 strijkwartetten, die als opus 3 van Joseph Haydn gepubliceerd zijn. Toen hij ruim 30 jaar later een catalogus van zijn werken opstelde, dacht hij, dat hij die geschreven had. Op de drukplaten is te zien, dat de naam Haydn over een uitgekraste naam is gezet: Hoffstetter. Men vermoedt dat die de eigenlijke componist is.

3. Kopieën van werken, die vermoedelijk wel door de componist geschreven zijn, maar waarvan het origineel ontbreekt en die ook niet in een catalogus opgenomen zijn. Er zijn diverse werken te vinden, die toegeschreven worden aan Haydn en waarbij er geen voornaam staat, er zijn ook werken die zowel aan Joseph en als aan Michael worden toegeschreven.

4. Kopieën van werken, die in verschillende bronnen aan diverse componisten worden toegeschreven.

5. Werken die aan een Haydn zijn toegeschreven, maar waarvan we weten, dat die door een andere componist zijn geschreven. In die tijd was er geen auteursrecht en de naam Haydn was goed voor de verkoopcijfers. Er zijn dus werken van andere componisten uitgegeven als werken van Joseph Haydn. Ander voorbeeld: er bestaat een oratorium van Myslivecek: Abramo e lsacco, dat zowel aan Joseph Haydn, als aan Michael Haydn en aan Wolfgang Amadeus Mozart is toegeschreven.

Het besef dringt door dat Michael Haydn meer is dan de broer van een bekende componist. Inmiddels is duidelijk dat Haydn op een handschrift niet betekent, dat Joseph de componist zou zijn. Michael was ook een goede componist en heeft recht op zijn eigen plaats in de muziekgeschiedenis.

En de derde broer? Die was geen componist. Hij werkte als tenor bij de familie Esterházy. Volgende keer deel 2 over het gezin van Abraham en Lea Mendelssohn.

 

"Mijn broer is een bekende componist" (2)

Deze keer over de familie Mendelssohn.

De eerste in de familie met de naam Mendelssohn is de grootvader van Felix, de joodse filosoof Mozes Mendelssohn (1729-1786). Hij trouwde in 1762 met Fromet Gugenheim een joodse bankiersdochter. Zij kregen drie zonen en drie dochters. De oudste zoon Joseph richtte in 1795 het bankiershuis Mendelssohn[1] op waarin zijn broer Abraham ( de vader van Felix) compagnon was. Abraham leerde in 1804 Lea Salomon kennen, dochter van de hofjuwelier en kleindochter van de rijke joodse bankier Itzig. Zij trouwden eind 1804. Op 14 november 1805 werd de oudste dochter Fanny geboren, daarna volgden Felix op 3 februari 1809, Rebekka op 11 april 1811 en tenslotte Paul op 30 oktober 1813.

Zowel Fanny als Felix bleken muzikaal zeer begaafd. Zij kregen hun eerste pianolessen van hun moeder. Na een bezoek aan Parijs besloten Abraham en Lea de opvoeding van de kinderen degelijk aan te pakken. Dat betekende privé les. Een andere mogelijkheid was er niet, omdat joodse kinderen uitgesloten waren van onderwijs. Muziek was een van de onderdelen: Fanny en Felix kregen pianoles, Rebekka zangles en Paul celloles.

Ondertussen speelde ook de vraag door hun hoofd hoe ze hun kinderen moesten opvoeden. In 1812 werden de Joden officieel gelijk gesteld met alle andere staatsburgers van Pruisen, maar de formulering was voor velerlei uitleg vatbaar. Door het congres van Wenen (1815) werden de meeste maatregelen weer ongedaan gemaakt en in 1822 was alles weer teruggedraaid.

In 1816 besloten ze om de kinderen te laten dopen. Jacob, een broer van Lea had zich al eerder laten dopen en had daarbij de naam Bartholdy aangenomen. Zes jaar later besloten Abraham en Lea om ook openlijk tot het christendom over te gaan en daarbij veranderden ze hun achternaam in Mendelssohn Bartholdy. Ondanks hun overgang naar het christendom bleven ze niet gevrijwaard van antisemitisme. In de periode 1819-1821 kreeg Felix les van Zeiter in het uitwerken van becijferde bassen, het schrijven van koralen, omkeerbaar contrapunt, canons en fuga's. Zeiter moedigde hem aan om Bach, Mozart en Haydn na te volgen, hij kon Beethoven, Schubert en von Weber niet waarderen.

AI in 1818 debuteerde Felix als pianosolist in het Concert Militaire van Dussek. Op 7 maart 1820 voltooide hij zijn eerste compositie, die ook bewaard is gebleven. Fanny en Felix gingen vanaf dat jaar ook zingen bij de Berliner Singakademie[2]. Felix heeft daar ook kunnen oefenen als dirigent. Hij bleef bezeten van muziek en zijn vader begon dat als mogelijk beroep te zien. Pas na een positief advies van Cherubini in 1825 mocht Felix er echt voor gaan. In de tussentijd had hij al 12 symfonieën voor strijkers geschreven (de 13e bleef onvoltooid), 6 concerten ( 1 voor piano, 1 voor viool, 2 voor 2 piano's en 1 voor viool en piano), veel kamermuziek, enkele Singspielen/operaatjes, koorwerken, orgelwerken, fuga's. Dit jeugdwerk is nooit uitgegeven en pas vanaf de vijftiger jaren van de vorige eeuw langzamerhand uitgegeven. Bijvoorbeeld Yehudi Menuhin nam het vioolconcert in d klein op in zijn programma (dat is niet het bekende vioolconcert opus 64 in e klein)

Fanny was zeker niet minder begaafd op muzikaal gebied dan Felix en kreeg ook dezelfde muzikale opleiding, maar het paste niet in het denkraam van de familie om haar de ruimte te geven om zich als componist te ontwikkelen. Felix smokkelde vier van haar liederen mee in zijn liederen opus 8 en opus 9.[3]  Fanny en Felix hadden een nauwe band met elkaar met muziek als centrum. In 1828 legde Fanny zich erbij neer, dat ze zich niet mocht ontwikkelen als componist en bereidde zich voor op de carrière, die haar ouders voor haar bedacht hadden als huisvrouwen moeder.

In 1829 trouwde ze met de schilder Wilhelm Hensel. Zij kregen in 1830 een zoon Sebastian. Fanny richtte zich op de compositie van grotere werken voor zangstemmen en instrumenten. Uiteindelijk besloot ze zich toe te leggen op pianostukken en liederen. Tegen de wil van haar broer in, liet ze in 1837 een lied uitgegeven als onderdeel van een verzameling. Een jaar later debuteerde ze als pianist in het 1e pianoconcert van haar broer. Intussen bleef ze componeren voor uitvoering in huiselijke kring.

In 1846 kreeg ze van twee verschillende muziekuitgevers aanbiedingen om muziek uit te geven. Toen besloot ze om toch muziek uit te gaan geven. Dit werden de werken, die zij als beste beschouwde: liederen voor zangstem en piano, opus 1 en 6; 4 liederen (zonder woorden) voor piano, opus 2; Gartenlieder voor vierstemmig koor, opus 3; melodieën voor piano, opus 4 en 5. Door het succes werd ze gestimuleerd om ook grotere muziekstukken te schrijven. In april 1847 voltooide ze haar pianotrio (postuum uitgegeven als opus 11 ). Nog geen maand later overleed ze aan een hersenbloeding. Felix was er kapot van. Hij liep al te sukkelen met zijn gezondheid en had daarom zijn functie als dirigent in Leipzig neergelegd. Op 3 november kreeg ook hij een hersenbloeding, waaraan hij de volgende dag overleed.

Fanny was zeker zo begaafd en bekwaam als componist als Felix, maar ze heeft dat vrijwillig lang verborgen gehouden. Door haar vroege dood is vrijwel niets gepubliceerd. Nu komt er meer besef van wat ze geschreven heeft en worden steeds meer werken aan de vergetelheid ontrukt.


[1] Het bankiershuis Mendelssohn is in 1939 geliquideerd

[2] Het archief van de Berliner Singakademie was sinds het einde van de tweede wereldoorlog zoek, maar is in 1999 weer opgedoken in Kiev. Het archief bevat duizenden composities, die alleen uit inventarislijsten bekend waren. Inmiddels zijn er al een aantal gepubliceerd. Zoals een fluitconcert van Wilhelm Friedeman Bach, een Matthaus Passion Van Carl Philip Emmanuel Bach. Er wordt ook gezegd dat er vele manuscripten van de Mendelssohns bijzitten.

[3] Zo bevat ook de liederen opus 37 van Schumann, drie liederen van zijn vrouw Clara.

 

Haydn – Der Sturm (Hob. XXIVa:8)

De madrigaal „Der Sturm“ begon als „The Storm“ en was in 1792 geschreven voor Engeland. De eerste versie is geschreven voor sopraan, alt, tenor, bas, koor, strijkers, 2 fluiten, 2 hobo’s en 2 fagotten. De premiere was op 24 februari 1792.5  

De tweede versie is geschreven in 1793. De Engelse tekst werd vervangen door een Duitse tekst (mogelijk geschreven door baron Gottfried van Swieten). Ook werd de instrumentatie uitgebreid met 2 klarinetten, 2 hoorns, 2 trompetten, 2 trombones en pauken.

Baron Gottfried van Swieten

Gottfried van Swieten werd op 29 oktober 1733 geboren in Leiden. Hij is een zoon van de dokter Gerhard van Swieten. Deze werd in 1745 hofarts in Wenen.

Gottfried was eerst ambtenaar en werd later diplomaat. Zijn laatste termijn diende hij in Berlijn (1770-1777). Daarna werd hij prefect van de keizerlijke bibliotheek in Wenen. Dat bleef hij tot zijn dood op 29 maart 1803.  

In zijn vrije tijd componeerde hij. Hij heeft 3 opera’s geschreven en tenminste 10 symfonieën. Er zijn nu nog 2 opera’s en 7 symfonieën bewaard. Van deze laatste zijn er 3 ten onrechte aan Haydn toegeschreven. Als componist is hij onbelangrijk. Mozart noemde zijn symfonieën net zo stijf als de baron zelf. Hij was veel belangrijker als promotor van andere componisten. Hij was een grote fan van Johann Sebastian Bach (1685-1750), Georg Frederic Handel (1685-1759) en Carl Philipp Emmanuel Bach (1714-1788). Deze laatste voor hij in zijn Berlijnse tijd om 6 symfonieën voor strijkers (Wq 183).  

In 1779 liet baron van Swieten het oratorium Judas Maccabeüs van Handel, voorzien van Duitse tekst in een bewerking van Starzer uitvoeren. Carl Philipp Emmanuel Bach droeg twee jaar later zijn Sonaten für Kenner und Liebhaber aan de baron op.

In 1782/1783 besteedde Gottfried thuis veel aandacht aan fuga’s, die toen juist niet in de mode waren. Mozart en zijn vrouw werden er door aangestoken om zelf fuga’s te componeren en die van Bach te bestuderen. Uit deze tijd zijn diverse bewerkingen van fuga’s voor strijktrio, -kwartet of -kwintet bewaard gebleven. 12 daarvan worden er aan Mozart toegeschreven (o.a. KV 404a, 405), andere zijn anoniem overgeleverd.  

Later kwam er een “Gesellschaft der Associirten”. Dit gezelschap legde zich toe op het opvoeren van oratoria, met name Handel stond in de schijnwerpers. Die leverde de volgende bewerkingen en originele werken op (de baron leverde de Duitse tekst voor zover nodig):

“Auferstehung und Himmelfahrt Jesu“ van C.P.E. Bach met een kleine aanpassing van Mozart (KV 537d)
“Acis und Galathea” van Handel bewerkt door Mozart (KV 566)
“Der Messias” van Handel bewerkt door Mozart (KV 572).
“Alexanderfest” van Handel bewerkt door Mozart  (KV 591)
“Cäcilien-Ode” van Handel bewerkt door Mozart (KV 592)

Na Mozarts dood volgde nog:

Heropvoering (1793) van “Alexanderfest” onder leiding van Haydn. “Der Sturm” werd aan  het oratorium toegevoegd.
Bewerking van “Die Sieben  letzten Worte unseres Erlössers am Kreuze“ (Hob. XX:2) van Haydn tot oratorium door koor toe te voegen (1796)
Oratorium „Der Schöpfung“ van Haydn (Hob XXI:2; 1798)
Oratorium „Die Jahreszeiten“ van Haydn (Hob XXI:3; 1801)

Beethoven droeg zijn eerste symfonie aan de baron op. Zijn oratorium “Christus am Ölberg” is voor hetzelfde gezelschap geschreven.

 

Beethoven en Wilms: twee tijdgenoten.  

In december 1770 werd in Bonn Ludwig van Beethoven geboren. Ruim een jaar later in maart 1772 werd in Witzhelden (zo’n 50 km ten noorden van Bonn) Johann Wilhelm Wilms geboren. Beide leerden al vroeg diverse instrumenten bespelen waaronder de piano, die in beider leven een grote rol zou spelen.  

Wilms ging in 1791 naar Amsterdam om daar als muziekleraar, concertpianist en organist aan het werk te gaan. Beethoven ging de andere kant op. Hij verliet in 1792 Bonn om zich in Wenen te gaan vestigen. Beethoven nam daar onder andere les van de componisten Haydn en Albrechtsberger. In die eerste periode toen hij vooral als concertpianist naam maakte schreef hij in 1795 een romance voor viool en orkest in F groot. Deze heeft hij pas later uitgegeven en staat daarom bekende als zijn tweede.  

Beethoven werd in Wenen steeds bekender, in het begin van de 19e eeuw brak hij ook als componist door. In die periode schreef hij een romance voor viool en orkest in G groot, die vrijwel direct werd uitgegeven als eerste romance.  

Intussen moest Wilms in Amsterdam het vooral hebben van zijn les- en concertpraktijk. Het componeren was voor hem wel belangrijk, maar daarvan kon hij niet bestaan. In 1816 won hij de prijsvraag voor een nieuw Nederlands volkslied. Zijn “Wien Neêrlandsch bloed” is tot 1932 het Nederlands volkslied geweest, toen liet koningin Wilhelmina het Wilhelmus weer terugkeren. In datzelfde jaar schreef hij een Ouverture a Grande Orchestre in f klein.  

Met zijn 6e symfonie in d klein won hij in 1820 een compositieprijs. Aanhangers van Wilms vonden hem de grootste levende componist na Beethoven. Beethoven heeft nooit ter discussie gestaan als groot componist, maar Wilms is helemaal in de vergetelheid geraakt. Pas in de negentiger jaren van de vorige eeuw zijn de ouverture in f klein, en 2 symfonieën uitgegeven, zodat deze voor orkesten beschikbaar zijn. Ook zijn er sindsdien enkele opnames verschenen van o.a. pianomuziek en een concertino voor fluit en orkest.  

Beethoven overleed in 1827, Wilms 20 jaar later. Twee tijdgenoten, de een is altijd beroemd gebleven, de ander was totaal vergeten. Of dat terecht is is de vraag.

 

Singspiel Fernando (het verhaal)

 

Fernando de la Porte leeft als een kluizenaar in een dicht woud. Lang geleden had hij in een gevecht de broer van zijn vrouw gedood en was hij gevlucht voor de consequenties. Zijn vrouw en hun zoon Philipp liet hij achter. Philipp is inmiddels 12 jaar geworden.

 

De autoriteiten hebben hem vrijgesproken en moeder en zoon gaan daarom op zoek naar de vader. Toevallig geraken zij in het bos. Het is nacht en in de storm raakt Philipp zijn moeder uit het oog.

 

Bij het begin van het Singspiel komt Philipp alleen op, erg dicht bij de kluis van zijn vader (nummer 1: inleiding).

 

Er verschijnt een wolf: Philipp gaat van de angst op de loop.

De vader is wakker geworden door het lawaai van de donder en komt naar buiten, vol van wroeging en berouw beklaagt hij zijn misdaad (nummer 2: aria).

 

Philipp komt weer terug en vraagt aan de onbekende kluizenaar onderdak. Hij vertelt dat hij en zijn moeder op zoek zijn naar zijn vader.

In een romance (nummer 3) vertelt hij zijn vaders daad. Fernando ontdekt dat Philipp zijn zoon is en hoort ook van zijn vrijspraak.

 

Als een boer een doek van de moeder brengt, die bloedsporen vertoont, vrezen beiden dat zij slachtoffer is geworden van de wolf. Fernando onthult dan zijn identiteit (nummer 4: duet).

 

Dan verschijnt de moeder zelf gebracht door een houtskoolbrander. De jager heeft de wolf doodgeschoten. Eleonora dankt haar redders en de kluizenaar voor het onderdak dat hij haar heeft aangeboden. (nummer 5: aria).

 

Fernando legt zijn kluizenaarskleren af en maakt zich ook bekend aan zijn vrouw. Zij verzoenen zich en vernieuwen de liefdeseed (nummer 6: duet).

 

Philipp vraagt de zegen van zijn ouders en het Singspiel eindigt met een kwartet over de godin van de liefde (nummer 7: finale).

 

Händels schaduw

Als je kijkt naar inspiratiebronnen voor grote componisten, dan vallen enkele dingen op:

zo’n componist laat zich niet alleen leiden door wat populair is, maar laat zich ook inspireren door componisten uit vroegere tijden.

Door die inspiratie wordt hun muziek rijker aan ideeën en uitwerking. De klacht van tijdgenoten is dan ook dat hun muziek teveel noten bevat.

Een van die inspiratiebronnen Händel, wil ik nader aan de orde stellen

Händel

De Duitse componist Händel vestigde zich in 1712 in Londen. Hij kwam al snel tot de ontdekking, dat hij daar prima zijn brood kon verdienen met Italiaanse opera’s. Zo rond 1740 kwam daar de klad in. Hij begon toen met oratoria op te voeren waarin solisten, koor en orkest samen een belangrijke rol hebben. Dit bleek een gouden greep. Na zijn dood in 1759 bleef men de oratoria opvoeren, waarbij de koren en orkest enorm groot konden worden. 

Haydn

In 1790 overleed prins Esterhazy, de werkgever van Haydn. Hij werd toen met pensioen gestuurd. Haydn besloot toen om zijn beroemdheid uit te buiten en naar Engeland te reizen. In juni 1791 maakte hij kennis met de oratoria “Israel in Egypt”, “Esther”, “Judas Maccabaeus”, “Deborah” en “Messiah” van Händel. Haydn had met zijn laatste opera “L’anima del filosofo”, die hij speciaal voor Engeland gecomponeerd had, al laten zien dat hij goed voor koor en orkest kon schrijven. Al snel ging toen het gerucht dat Haydn ook een oratorium aan het componeren was. Het gerucht was onjuist, maar heeft wel bijgedragen tot het enthousiasme van Hayn om later de oratoria “Die Schöpfung” en “Die Jahreszeiten” te schrijven. Met zijn drukke programma was er voor zoiets uitgebreids geen tijd. Wel vond hij tijd om het gedicht “The Storm” van Peter Pindar op muziek te zetten. Hierin wordt een storm beschreven en de stilte na de storm. De première hiervan was op 24 februari 1792. 

Terug in Wenen vroeg baron Gottfried van Swieten Haydn om het oratorium “Alexander’s Feast” te dirigeren. De baron zelf had de Engelse tekst vertaald in het Duits en Mozart had enkele jaren eerder de instrumentatie gemoderniseerd. In het kader van dit concert werd ook “Der Sturm” opgevoerd. De Engelse tekst van “The Storm” werd vervangen door een Duitse tekst (vermoedelijk van de baron zelf) en de instrumentatie werd uitgebreid. 

Mendelssohn

In 1809 werd in Berlijn Felix Mendelssohn geboren. Al snel werd zijn talent erkend en kreeg hij een gedegen, conservatieve, muziekopleiding. Hij werd vooral geschoold in de stijl van oudere componisten, zoals Johann Sebastian Bach. Naast les in het bespelen van piano en viool, werd hij ook zanger bij de Berliner Singakademie. In zijn tienertijd maakte hij koorcantates en eenvoudige toonzettingen van Psalmen, die aansloten bij de stijl van Bach. Als kind van rijke ouders kreeg hij ruim de gelegenheid om te reizen. Zo kwam hij ook in Engeland terecht, waar hij bijzonder gewaardeerd werd. Daar ontdekte hij ook de wereld van de oratoria van Handel. Geïnspireerd daardoor schiep hij diverse uitgebreide toonzettingen van Psalmen. Zijn toonzetting van Psalm 42 uit 1837 is één van de eersten.

Andere voorbeelden

De lijst kan nog veel langer worden gemaakt.Om af te sluiten een aantal composities die duidelijk door Händel geïnspireerd zijn;

Mozart – Suite in C (KV 399); onvoltooide klavierwerk in de stijl van Händel

Beethoven – Ouverture in C “Die Weihe des Hauses” (opus 124)

Brahms – 25 variaties en fuga op een thema van Händel (opus 24)

 

De hoornconcerten van Rosetti (~1750-1792)

Vorig jaar oktober hebben de blazers een partita van Joseph Reicha gespeeld. Hij had de muzikale leiding over het orkest van graaf Kraft Ernst von Oettinger-Wallerstein. Antonio Rosetti kwam dat orkest in 1773 versterken als contrabasspeler. Al snel begon hij muziek te schrijven voor het orkest. Naast symfonieën schreef hij ook concerten voor zijn collega's uit het orkest. 

Het orkest had twee uitstekende hoornspelers: Joseph Nagel (1751-1802) en Franz Anton Zwierzina (1751-1825). Nagel speelde de eerste hoorn, Zwierzina de tweede. De eerste hoornpartij was een hoge partij en de tweede duidelijk lager. Rosetti schreef voor de hoorn zeer idiomatisch. Blijkbaar vond hij het zeer lonend om concerten voor één of twee hoorns te schrijven, want de laatste catalogus van zijn composities vermeld 23 concerten voor deze instrumenten (17 voor 1 hoorn en 6 voor 2 hoorns). De concerten zijn geschreven voor hoorns in Es, E of F.

In 2000 werd de 250e geboortedag van Rosetti herdacht (het is niet precies bekend wanneer hij geboren is). Sindsdien is behoorlijk wat werk gemaakt om met name Rosetti's symfonieën en hoornconcerten op te nemen. Wie ze allemaal zou willen beluisteren heeft pech, want van vier concerten weten we wel dat ze bestaan hebben, maar hebben we geen muziek meer. Bijvoorbeeld: het enige handschrift van een concert voor 2 hoorns in E is bij een bombardement in de tweede wereldoorlog in vlammen opgegaan, we kennen alleen nog de beginmaten en de opgave van de partijen voor het orkest. 

Het verhaal van andere hoornconcerten is soms net een detective. Laat ik er een paar uitnemen. In Oostenrijk en Tsjechië zijn vele kloosters met bibliotheken en vaak zijn die slecht onderzocht. Zo komt het wel eens voor dat er een onbekend werk wordt ontdekt. Wat vaker gebeurt is dat er op verschillende plaatsen hetzelfde werk opduikt met soms toeschrijvingen aan verschillende componisten. De vraag is dan: who did it?  

In Oostenrijk zijn er in het Stift Melk twee hoornconcerten gevonden: één voor een hoorn in Es en orkest en één voor twee hoorns in Es en orkest. Beide hoornconcerten worden aan Mozart toegeschreven. Van het eerste concert is dit het enige bekende exemplaar, een afschrift. Op stilistische gronden heeft men besloten, dat Mozart niet de componist kan zijn. Het concert lijkt niet op de van Mozart bekende hoornconcerten, wel lijkt het op de hoornconcerten van Rosetti. Daarom is dit concert als mogelijk van Rosetti bij de 23 concerten opgenomen.

Het andere concert uit Melk is een nachtmerrie voor de uitgever: er zijn vijf verschillende bronnen en allemaal verschillend en geen enkele is in het handschrift van Rosetti of heeft een duidelijk claim op gezag. Het gaat onder andere om een uitgave van Sieber uit 1786. Het concert staat daar in E in plaats van Es, een afschrift uit de verzameling van Zwierzina in Wallerstein bewaard, het exemplaar in Stift Melk en een afschrift van de hoornist Mayr, die bij het afschrijven gelijk maar de solopartijen had aangepast aan zijn ideeën. In Wallerstein zijn er hobopartijen bij, in Melk is de eerste hoornpartij gegeven aan de altviolen, zodat het concert met 1 solist is geworden. Hoe het concert er precies heeft uitgezien is niet duidelijk, maar over een ding is men het wel eens: Rosetti is de componist. 

Een ander zoekplaatje is een concert voor 2 hoorns in Es, dat in 1966 in Amsterdam werd gepubliceerd. Dit dubbelconcert wordt vaak uitgevoerd als een concert van Joseph Haydn. Nu is er van hem wel zo'n dubbelconcert zoek, maar daarvan weten we de beginmaten uit een catalogus en dit is een ander concert. Op het afschrift staat in een ander handschrift dan de muziek zelf de naam van Michael Haydn, maar kenners van diens muziek, denken dat dat onjuist is. Wie is dan de schrijver? Het afschrift komt uit de verzameling van Zwierzina. Rosetti is ook hier op stilistische gronden als vermoedelijk componist opgevoerd. Hiervoor zijn drie redenen gegeven: de volgorde van de delen (Allegro; Romance en Rondo in 6/8), de structuur van de delen en de bezetting met 2 aparte altvioolpartijen. Dit laatste is een stijlkenmerk van het orkest van Wallerstein. 

Wat ook lastig is om te vinden is een solist, die er nooit geweest is. In Stift Melk is ook een concert van Rosetti bewaard gebleven. Op het schutblad staat dit concert vermeld als “Concerto pour le cor”, maar op de solopartij staat “Corno 2da Prinzipale in Dis”. Op grond van dat laatste is dit concert in 1996 ingedeeld bij de dubbelconcerten, waarbij helaas de eerste solist zoek is. Men heeft toch de moeite genomen om de beschikbare partijen door te spelen en kwam toen tot de conclusie, dat er niets ontbreekt. Waarom dan die aparte aanduiding? Men denkt dat het concert speciaal voor de tweede hoornist Zwierzina is geschreven, die de lage hoornpartij speelde in het orkest.

 

Wanneer is een componist een blijvertje? 

Als we een ding van de muziekgeschiedenis leren, dan is dat tijdgenoten heel anders tegen componisten aankijken dan latere generaties. Ook is in de loop van de tijd de rol van de muziek veranderd. In de barok was muziek in de eerste plaats voor direct gebruik en eigenlijk was de verwachting, dat je als componist telkens met iets nieuws kwam. Dat laatste kon je wel met een korreltje zout nemen. Er werd heel wat gerecycled. Bach bewerkte bijvoorbeeld de fuga uit de eerste sonate voor viool solo ook voor luit en orgel. De prelude van de derde partita voor viool solo werd zelfs veranderd in een sinfonia voor 3 trompetten, pauken, strijkers, 2 hobo’s, orgel en BC. Voor Händel geldt het zelfs als een echtheidskenmerk. Als er een werk opduikt dat aan Händel wordt toegeschreven en is er geen citaat daarvan in een ander werk te vinden, dan is de toeschrijving waarschijnlijk onjuist.

 

In de tijd van Bach is er eens een lijst opgesteld van de meest bekende componisten. Bach werd daarin slechts zevende. De eerste plaats was voor Telemann. Bach was bij zijn benoeming in Leipzig ook niet de eerste keus. Tegenwoordig wordt Bach als de grootste componist van zijn tijd gezien met Händel als een goede tweede. Na zijn dood is Bach een hele tijd in de vergetelheid geraakt. Alleen bij kenners waren met name zijn klavierwerken nog wel bekend. Mozart heeft een aantal werken bewerkt voor drie, vier of vijf strijkers. Chopin gebruikte het Wohltemperierte Klavier om zijn vingers los te spelen. Zijn 24 preludes zijn duidelijk daardoor geïnspireerd.

 

Mozart had het met al zijn talent ook niet gemakkelijk. Jarenlang zocht hij een goed betaalde positie. En dat lukte steeds niet, niet in Italië, niet in Frankrijk, niet in Beieren. In Salzburg werd hij er letterlijk uitgeschopt en toen is hij naar Wenen getrokken om daar als freelancer te proberen aan de kost te komen. Dat is een aantal jaren heel goed gelukt. In Wenen was de grote naam Salieri. Al jaren gaat het valse gerucht, dat deze Mozart heeft vergiftigd, omdat hij in hem een grote bedreiging zag. Nu is Salieri bijna vergeten en Mozart hoort bij de allergrootste componisten.

 

Beethoven begon zijn carrière in Wenen als concertpianist en zocht in zijn composities aansluiting bij de stijl van Mozart. Die was namelijk na zijn dood ineens populair geworden. Later ontwikkelde Beethoven heel duidelijk een eigen stijl. De grootste rivaal van Beethoven was Hummel. Hummel was leerling van Mozart en opvolger van Haydn bij prins Esterhazy. Hummel begint de laatste tijd weer wat meer in de belangstelling te staan, maar niemand zou hem nu nog als gelijke van Beethoven beschouwen. In de tijd van Beethoven waren er ook diverse componisten, die Beethovens stijl imiteerden. Van deze componisten zoals Ries en Fesca komen nu ook wat opnames en uitgaven beschikbaar. Boeiend materiaal voor ons, omdat het in ieder geval qua bezetting past.

 

In de tweede helft van de negentiende eeuw was er een duidelijke “stammenstrijd”. Aan de ene kant had je Brahms, die heel duidelijk de traditie van Beethoven en Schumann wilde voortzetten met symfonieën. Brahms worstelde zozeer daarmee, dat hij zijn eerste symfonie pas na 15 jaar zwoegen voltooide. Von Bülow noemde deze eersteling de tiende van Beethoven. Brahms had al eerder aan een symfonie gewerkt, maar dat materiaal had hij in zijn eerste pianoconcert en het Duitse Requiem verwerkt. Aan de andere kant had je de school van Liszt en Wagner, die de symfonie afwezen. Het symfonisch gedicht en de opera als Gesamtkunstwerk kwamen daarvoor in de plaats.

Bruckner zat hier als componist wat lastig tussenin. Zijn voorliefde lag bij Wagner, die hij adoreerde. Aan de andere kant schreef hij symfonieën, die qua model teruggrijpen op de negende van Beethoven. Hij vond in zijn tijd niet echt de waardering, die hij zocht. Goedbedoelende vrienden hebben hem ertoe aangezet om ze te herzien of deden dat zelf als vriendendienst. Hierdoor zitten we een enorme variëteit aan versies van Bruckner-symfonieën. Op Internet is er een lijst van alle bekende opnames per versie gerangschikt.

 

Mahler past met zijn symfonieën in de lijn van Bruckner. In zijn tijd twijfelde men heel erg of zijn muziek wel de dood van zijn componist zou overleven. Mahler zei eens “Mijn tijd zal komen” en hij had gelijk. Mahler is nu een van de grote componisten van het begin van de twintigste eeuw.

 

Ik kan nog wel doorgaan met b.v. Ives, maar laat ik eens kijken of er enkele lijnen te zien zijn. Populariteit is geen maat voor grootte. Telemann en Hummel zijn toch te licht bevonden. Nu wordt er wel eens gezegd dat Pärt de meest overschatte componist is. Klopt dat? De tijd zal het leren.

Diverse grote componisten, zoals Bach en Mozart, werden onderschat door hun tijdgenoten. Geldt dat ook voor Matthijs Vermeulen? Of hij een grote componist was? De tijd… Of wat te denken van de in 1981 overleden Nosyrev, die in 1943 onder Stalin ter dood was veroordeeld (later omgezet in verbanning naar Siberië) en postuum gerehabiliteerd is. De muziekindustrie heeft hem in 1998 ontdekt.

De tegenstellingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw laten zien, dat uit beide blijvertjes zijn voortgekomen. Er is niet zoiets als de juiste muziekstijl.

 

Wat zullen toekomstige generaties denken van Herman Strategier, Kees Olthuis, Jurriaan Andriessen en Karel Mengelberg? Ik zou het niet weten.

 

Wat vinden wij eigenlijk de beste componisten, die in of na 1900 zijn geboren? Wie wil mag mij een lijstje geven of e-mailen, dan zal ik een volgende keer onze top 10 presenteren.

 

 

De (?) onvoltooide van Schubert

 

De symfonie in b-klein die we op de lessenaar hebben staat algemeen bekend als de  onvoltooide van Schubert. Bij onvoltooid denken we al gauw, dat het werk onvoltooid is doordat de componist stierf voordat hij de compositie kon voltooien. Bekende onvoltooide werken zijn het requiem van Mozart, de tiende symfonie van Beethoven, de negende symfonie van Bruckner, de tiende symfonie van Mahler, de opera Turandot van Puccini, het altvioolconcert van Bartok.

 

Schubert past niet in dit rijtje. De symfonie in b-klein componeerde hij in 1822, zes jaar voor zijn dood. Schubert liet heel veel onvoltooide composities achter. Het lijkt wel of hij soms de interesse verloor in waar hij mee bezig was en gewoon weer iets anders begon. Onder de symfonieën zijn er 5 onvoltooid. Laat ik ze kort even voorstellen:

 

Enkele maanden na de zesde symfonie (D. 589), die we in het concert van 16 maart 1996 hebben gespeeld, begon Schubert aan een symfonie in D-groot (D. 615). Van deze symfonie is in een pianopartituur het begin van het eerste deel en het begin van de finale geschetst.

 

De volgende onvoltooide is ook in D-groot (D. 708A). Van deze symfonie is ook in een pianopartituur geschreven. Van het eerste, tweede en vierde deel is het begin geschetst. Het derde deel, een scherzo, is bijna voltooid, er ontbreken 6 maten van het trio en de herhaling is niet uitgewerkt.

 

De volgende onvoltooide wordt wel de zevende symfonie (D. 729) genoemd. Deze is in e-klein/E-groot. De schets is hier heel anders. Schubert schreef hier direct in een orkestpartituur. Het begin van het eerste deel is volledig uitgeschreven, daarna meestal alleen de belangrijkste melodielijn en soms een aanduiding van de bijbehorende bas. Zo’n 950 van de 1300 maten hebben maar een instrument ingevuld.

 

De vierde onvoltooide is de onvoltooide, de achtste symfonie (D. 759). Naast de twee bekende voltooide delen is er van het derde deel in pianopartituur het complete scherzo en de melodie voor de eerste helft van het trio beschikbaar. Het begin van scherzo is ook beschikbaar in een orkestpartituur. Bij de symfonie is geen spoor te vinden van een finale, maar velen vermoeden, dat de entr’acte muziek in b-klein uit Rosamunde wel eens de finale zou kunnen zijn. Voor entr’acte muziek is het eigenlijk te lang, de instrumentatie is hetzelfde als de symfonie en ook de toonsoort komt overeen.

 

De vijfde onvoltooide symfonie staat bekend ook wel bekend als de tiende symfonie. Ook deze symfonie is in D-groot (D. 936A). Hier klopt het cliché wel dat de componist overleed voordat hij de symfonie kon voltooien. Deze symfonie is weer gewoon in pianopartituur geschetst. Er zijn schetsen voor een eerste deel, een langzaam tweede deel. In de schetsen voor het volgende deel lopen de scherzovorm en de rondovorm door elkaar, waardoor het zowel op een scherzo als ook op een finale lijkt.

 

Zo zien we dat spreken van de onvoltooide van Schubert wat te eenvoudig is.

 

Waarom is de symfonie in b-klein onvoltooid? Deze vraag heeft men zich steeds weer gesteld. Er zijn een aantal theorieën opgesteld.

 

Een ervan is dat Schubert na twee zo geweldige delen geen goede voortzetting kon vinden en dat hij toen besloten heeft om de symfonie in twee delen voor voltooid te houden. In oktober 1823 heeft Schubert het originele manuscript van de symfonie aan de “Steiermärkische Musikverein” in Graz gegeven. De schetsen in pianopartituur van de eerste twee delen en het scherzo heeft hij zelf gehouden. De voorzitter van die vereniging Anselm Hüttenbrenner heeft de symfonie in het archief opgenomen. Niemand was op de hoogte van het bestaan van deze symfonie. In 1839 werd Schubert negende in C-groot ontdekt door Robert Schumann en pas in 1865 kwam deze symfonie uit de archieven na boven en beleefde zijn première in december van dat jaar. Deze theorie verklaart waarom er maar twee delen uit het archief naar boven kwamen.

 

De tweede theorie gaat er vanuit dat de symfonie in vier delen voltooid was en dat door het toedoen van Anselm Hüttenbrenner, die de symfonie meer dan veertig jaar in zijn bezit had, de laatste twee delen zijn verdwenen. Dit is op zich niet zo gek als men bedenkt, dat zijn huishoudster in 1848 de kachel heeft aangemaakt met Claudine von Villa Bella (een opera van Schubert). Hierdoor is deze slechts onvolledig bewaard gebleven.

 

In 1823 moest Schubert muziek schrijven bij het toneelstuk Rosamunde van Hermina von Chézy. Hij heeft toen duidelijk andere composities ingezet om de muziek samen te stellen. Zo is de ouverture genomen van het melodrama “Die Zauberharfe”. Misschien heeft hij toen ook de pianopartituur van zijn achtste symfonie “geplunderd” en daar de finale van genomen en die (opnieuw) georkestreerd. Kort geleden las ik dat de musicoloog Ben Cohrs, die bezig is om een voltooide versie van de achtste voor te bereiden, denkt dat het plotselinge slot van het laatste deel in B-groot een latere, wat ongelukkige gedachte van Schubert is en dat het deel oorspronkelijk in b-klein eindigde. In zijn nog te verschijnen editie van de achtste symfonie van Schubert heeft hij het slot van de finale in b-klein gereconstrueerd en ook het scherzo is door hem voltooid en georkestreerd.

 

Bovenstaand verhaal over de achtergrond van de achtste bevat veel theorieën over wat gebeurd kan zijn. Ook al kennen we niet alle feiten, we proberen toch een voorstelling te maken van wat er gebeurd is.

De onvoltooide van Schubert

Waarom is de symfonie in b-klein onvoltooid? Deze vraag heeft men zich steeds weer gesteld. Er zijn een aantal theorieën opgesteld.

Een ervan is dat Schubert na twee zo geweldige delen geen goede voortzetting kon vinden en dat hij toen besloten heeft om de symfonie in twee delen voor voltooid te houden. In oktober 1823 heeft Schubert het originele manuscript van de symfonie aan de “Steiermärkische Musikverein” in Graz gegeven. De schetsen in pianopartituur van de eerste twee delen en het scherzo heeft hij zelf gehouden. De voorzitter van die vereniging Anselm Hüttenbrenner heeft de symfonie in het archief opgenomen. Niemand was op de hoogte van het bestaan van deze symfonie. In 1839 werd Schubert negende in C-groot ontdekt door Robert Schumann en pas in 1865 kwam deze symfonie uit de archieven na boven en beleefde zijn première in december van dat jaar. Deze theorie verklaart waarom er maar twee delen uit het archief naar boven kwamen. 

De tweede theorie gaat er vanuit dat de symfonie in vier delen voltooid was en dat door het toedoen van Anselm Hüttenbrenner, die de symfonie meer dan veertig jaar in zijn bezit had, de laatste twee delen zijn verdwenen. Dit is op zich niet zo gek als men bedenkt, dat zijn huishoudster in 1848 de kachel heeft aangemaakt met Claudine von Villa Bella (een opera van Schubert). Hierdoor is deze slechts onvolledig bewaard gebleven. 

In 1823 moest Schubert muziek schrijven bij het toneelstuk Rosamunde van Hermina von Chézy. Hij heeft toen duidelijk andere composities ingezet om de muziek samen te stellen. Zo is de ouverture genomen van het melodrama “Die Zauberharfe”. Misschien heeft hij toen ook de pianopartituur van zijn achtste symfonie “geplunderd” en daar de finale van genomen en die (opnieuw) georkestreerd. Kort geleden las ik dat de musicoloog Ben Cohrs, die bezig is om een voltooide versie van de achtste voor te bereiden, denkt dat het plotselinge slot van het laatste deel in B-groot een latere, wat ongelukkige gedachte van Schubert is en dat het deel oorspronkelijk in b-klein eindigde. In zijn nog te verschijnen editie van de achtste symfonie van Schubert heeft hij het slot van de finale in b-klein gereconstrueerd en ook het scherzo is door hem voltooid en georkestreerd. 

Toneelmuziek Egmont 

Beethoven was een grote fan van Goethe. Hij wilde daarom graag wat van de man op muziek zetten. In 1809 begon hij aan muziek bij het toneelstuk Egmont. Goethe heeft dit toneelstuk in vijf bedrijven in 1775-1787 geschreven, gebaseerd op historische feiten. Hier is dat leven en dood van Lamoral, graaf van Egmont. Goethe paste de geschiedenis naar behoefte aan om een mooi toneelstuk te krijgen. De hoofdrolspelers zijn: Egmont, de hertog van Alva en Willem van Oranje. Klärchen is de geliefde van Egmont. Na haar dood (nummer 7) verschijnt ze in een droom aan Egmont (nummer 8), die in afwachting van zijn terechtstelling in de kerker ligt. 

Na de ouverture die wij spelen volgen nog negen nummers:

1. Aria (Klärchen) “Die Trommel gerühret”

2. Zwischenakt I

3. Zwischenakt II

4. Aria (Klärchen) “Freudvoll und leidvoll”

5. Zwischenakt III

6. Zwischenakt IV

7. Musik Klärchens Tod bezeichnend

8. Melodrama (Egmont) “Süsser Schlaf!”

9. Siegessymphonie 

De ouverture pakt zoals bij Beethoven gebruikelijk, diverse thema’s uit de muziek die volgt op. De ouverture vertelt in een muzikale samenvatting het verhaal, dat volgt. De Siegessymphonie, die het toneelstuk afsluit is ook de afsluiting van de ouverture. 

Joseph Fiala (1748-1816) 

Joseph Fiala is in Lochovice in West-Bohemen geboren. Zijn vader was leraar. Hij begon als speler van de hobo, cello en gamba in het orkest van gravin Walburga von Netolitz in Praag. Al snel begon hij rond te trekken op zoek naar roem en eer. Na een korte stop in Regensburg, Wallerstein en München kreeg hij op voorspraak van Leopold Mozart een plaats in het hoforkest van Salzburg.  

Hij had geen zitvlees en ging al snel weer rondtrekken en kwam via Passau en Linz in 1785 in Wenen aan, waar Wolfgang Amadeus Mozart hem welkom heette. Door zijn successen in Wenen, kreeg hij een uitnodiging voor Sint Petersburg. 

Daar was al snel weer weg en ging via Breslau en Berlijn naar Donaueschingen. Daar vond hij eindelijk rust. Van 1792 tot zijn dood in 1816 was hij kapelmeester en cellosolist van het hoforkest van de prins van Fürstenberg. 

Het concert in Bes groot van klarinet, althobo en orkest is waarschijnlijk in 1774/75 geschreven toen Fiala hobo speelde in het hoforkest van de vorst van Oettingen-Wallerstein.

Arno

Hoeveel pianoconcerten schreef Beethoven?

Het simpelste antwoord is 5, zoveel zijn er namelijk bij zijn leven uitgegeven. Laat ik ze even kort voorstellen:

Pianoconcert nr. 1 in C groot, opus 15. Het derde pianoconcert dat Beethoven schreef in 1795 en in 1800 herschreef.

Pianoconcert nr. 2 in Bes groot, opus 19. Hiermee begon Beethoven waarschijnlijk al in Bonn in 1788, hij bleef er voortdurend aan sleutelen, totdat het in 1801 werd uitgegeven. Het rondo in Bes voor piano en orkest (WoO 6) [1] is vermoedelijk het oorspronkelijke derde deel, dat in de loop van de diverse bewerkingen is vervangen door het huidige derde deel.

Pianoconcert nr. 3. in c klein, opus 37, geschreven in de periode 1800-1803.

Pianoconcert nr. 4 in G groot, opus 58, geschreven in de periode 1804-1807.

Pianoconcert nr. 5  ‘Keizerconcert’ in Es groot, opus 73, geschreven in 1809.

Hiermee is de koek nog niet op: soms kom je ook een pianoconcert nr. 0 tegen. Dit pianoconcert in Es groot (WoO 4) is incompleet bewaard gebleven. Er is de solopartij met daarin de inzetten van het orkest aangegeven. Dit concert is in 1784 gecomponeerd. De Zwitserse musicoloog Willy Hess heeft een reconstructie van de orkestbegeleiding gemaakt en zo kan ook dit vroege concert worden uitgevoerd.

Daarnaast is er soms ook sprake van pianoconcert nr. 6. Dit nummer wordt soms aan het pianoconcert in D groot, opus 61a gegeven. Dit concert is een bewerking van het vioolconcert in D groot, opus 61.

Een andere kandidaat voor de zesde is het onvoltooide pianoconcert in D groot (Hess 15)[2] uit 1815. Het eerste en enige deel van dit concert is door de Nicholas Cook voltooid en het is wel eens uitgevoerd.

Op 1 februari 2005 was er in de Doelen in Rotterdam de première van een adagio in D groot voor piano en orkest uit 1792/1793 (Biamonti 55)[3]. Het tweede deel van een onvoltooid pianoconcert in A groot. Dit deel is voltooid door Cees Nieuwenhuizen.

Verder is er in 1830 een eendelig pianoconcert in D groot gepubliceerd. (Kinsky Anhang 7)[4]. In 1889 is aangetoond, dat dit het eerste deel is van een pianoconcert van Rössler.

Hoeveel schreef Beethoven er? Hij voltooide 6 originele pianoconcerten en liet er verscheidene onvoltooid.


[1] WoO = Werk(e) Ohne Opuszahl; werken van Beethoven, die geen opusnummer hebben. Deze zijn in de catalogus van de werken van Beethoven van Kinsky opgenomen.

[2] Willy Hess heeft ook een catalogus gemaakt van werken van Beethoven die geen opusnummer hebben. Deze bevat meer werken, dan de catalogus van Kinsky.

[3] Giovanni Biamonti heeft geprobeerd om alles wat Beethoven geschreven heeft in 1 chronologisch catalogus te vangen. Het derde pianoconcert heeft nummer 337. De laatste schets van Beethoven heeft nummer 849.

[4] De Anhang van de Kinsky-catalogus bevat werken die (waarschijnlijk) ten onrechte aan Beethoven zijn toegeschreven.

Beethovens voorbeeld

Beethovens composities worden wel eens ingedeeld in drie perioden: in de eerste periode is Beethoven bezig om Mozarts plaats in Wenen te veroveren door in composities bewust aan te sluiten bij Mozarts werken. In de tweede periode zet Beethoven duidelijk de trend en krijgt navolgers. In de laatste periode staat Beethovens muziek nog verder. Hij past daarin technieken toe, die pas weer in de twintigste eeuw worden opgepakt.

 

In de eerste periode zijn diverse werken aan te wijzen, die een 1-op-1 geïnspireerd lijken door werken van Mozart. Enkele voorbeelden zijn het strijktrio in Es opus 3 (in 6 delen) en het divertimento in Es voor strijktrio KV 563 (ook 6 delen). Een kwintet in Es voor 4 blazers en piano (Beethoven opus 16 en Mozart KV 452). Zo ook is er tussen het derde pianoconcert in c van Beethoven en het vierentwintigste pianoconcert in c van Mozart (KV 491) een duidelijke verwantschap. In 1799 zei Beethoven tegen Johann Baptist Cramer over dit concert “wij zullen nooit in staat zijn om zoiets als dit te doen”.

 

Hoe ziet het concert van Mozart eruit? Het begint met een Allegro in sonatevorm (c, 3/4); het tweede deel is een larghetto in Es en tot slot een Allegretto, een variatiedeel met een slot in c klein. Dit laatste is ongebruikelijk in die tijd. Het andere pianoconcert van Mozart in een mineurtoonsoort (nr 20 in d, KV 466) eindigt zoals het “hoort” in D groot.

 

Beethoven volgt dit niet slaafs na. Het eerste deel is een Allegro con brio in sonatevorm in c maar in een 2/2 maat. Voor het tweede deel (Largo) maakt Beethoven een grote stap door naar E groot te gaan in plaats van Es groot. Es groot is nauw verwant aan c klein (beide 3 mol), terwijl c klein en E groot erg ver van elkaar liggen. Het laatste deel is een rondo in c klein (2/4 maat) met een slot in C groot.

“Onze” Peer Gynt-suite

 

De suite die wij spelen is niet een van de officiële suites, die tijdens het leven van Grieg zijn uitgegeven. Later zal ik een samenvatting van het toneelstuk geven. Nu eerst kort de stukjes, die bij de muziek behoren.

1. Prelude (“op de bruiloft”): Het toneelstuk begint met de 20 jaar oude Peer Gynt die opschept over zijn avonturen. Hij houdt hij veel van zijn moeder, de weduwe Åse. Op de bruiloft van Ingrid, die vroeger wel wat interesse voor hem had, ontmoet hij de ingetogen Solveig en wordt op slag verliefd. Zij stelt zich nog al gereserveerd op.

2. Anitra's dans: In een Bedoeïenenkamp in de Sahara is Peer Gynt gastvrij ontvangen. Anitra de dochter van de hoofdman danst een verleidelijke dans.

3. In de zaal van de bergkoning: Peer Gynt heeft in de voorgaande scène de dochter van de trollenkoning verleid en ze zijn nu samen naar hem toegegaan. In de zaal van bergkoning is daardoor grote onrust ontstaan. Zij roepen steeds harder om het bloed van Peer.

 

Peer Gynt (1)

 

Over Peer Gynt is veel te vertellen. Wat ik verzameld heb, verdeel over twee bulletins. In de eerste vertel ik wat over het ontstaan en de uitvoeringen tijdens het leven van Grieg. In het tweede verhaal zal ik het verhaal samenvatten en de verbinding met muziek maken.

 

Henrik Ibsen schreef Peer Gynt in 1867 als een lang gedicht en niet als een toneelstuk. Hij voelde zich daarom vrij om allerlei scènes en vele verschillende omgevingen te bedenken. Peer Gynt bevat aan de ene kant allerlei volksverhalen en geeft aan de andere kant wat satirisch commentaar op recente gebeurtenissen.

 

In 1874 besloot Ibsen om Peer Gynt om te werken tot een toneelstuk. Hij nam contact op met de belangrijkste Noorse componist Edvard Grieg om er een gezamenlijk project van te maken. Ibsen vond muziek een essentieel onderdeel van de productie. Grieg schoot niet zo snel op met de muziek en had pas in september 1875 de partituur klaar. In februari 1876 was in Oslo de eerste uitvoering. De partituur van deze uitvoering is verloren gegaan, maar kan met behulp van een brief van 28 kantjes van Grieg over Peer Gynt gereconstrueerd worden.

 

Na een stilte van 10 jaar is Peer Gynt in 1886 opgevoerd in Kopenhagen. Hiervoor is de oorspronkelijke muziek uit bewerkt en zijn enkele delen vervangen door andere muziek van Grieg, die oorspronkelijk niet daarvoor was geschreven. Deze uitvoering heeft geleid tot het in 1888 uitgeven van de 1e Peer Gynt suite met vier delen uit de toneelmuziek. Het 4e deel van deze suite heet “In de zaal van de Bergkoning”.

 

In 1892 kwam opnieuw tot uitvoeringen in Oslo. Voor deze opvoering herzag Grieg de muziek. Als gevolg van deze uitvoeringen werd er een 2e Peer Gynt suite gepubliceerd met weer vier delen uit de toneelmuziek. Het 2e deel van deze suite heet “Anitra’s dans”.

 

In 1902 stond Peer Gynt weer in Oslo op het programma. Uiteindelijk werd de volledige partituur in 1908 gepubliceerd. Deze partituur bevat de muziek, die in 1902 is gebruikt.

Peer Gynt (2)

 

Peer Gynt is een toneelstuk in 5 bedrijven. Voor het eerste bedrijf heeft Grieg weinig muziek geschreven. Het begint met een prelude genaamd “op de bruiloft”. Hierin zitten enkele delen voor solo altviool die Noorse dansen speelt. Na de prelude worden deze dansen volledig gespeeld op de Hardanger fiedel. Een bewerkte versie van de prelude zonder de solo’s spelen wij. Het toneelstuk begint met de 20 jaar oude Peer Gynt die opschept over zijn avonturen. Tegelijkertijd houdt hij veel van zijn moeder, de weduwe Åse. Op de bruiloft van Ingrid, die vroeger wel wat interesse voor hem had, ontmoet hij de ingetogen Solveig en wordt op slag verliefd. Zij stelt zich nog al gereserveerd op. Onder invloed van drank gaat Peer Gynt er vandoor met de bruid Ingrid en vlucht de bergen in.

 

Het tweede bedrijf begint met de klaagzang van Ingrid. Daarna volgen diverse ontmoetingen die Peer Gynt heeft. Eerst ontmoet hij drie veehoedsters. Die zingen over de verloren geliefden (trollen). Peer vindt dat hij mans genoeg is voor alle drie.

In het vervolg van dit bedrijf komt de verschoppeling Peer onder de trollen. Hij ontmoet een vrouw in het groen, die eigenlijk de dochter van de bergkoning van de trollen is. Het flirt met haar en rijdt uiteindelijk samen met haar op een varken naar het koninklijk paleis. In de hal van bergkoning is er grote onrust ontstaan over het verleiden van de prinses. Zij roepen steeds harder om het bloed van Peer. Hij onderhandelt met de bergkoning en krijgt het uiteindelijk voor elkaar om als schoonzoon geaccepteerd te worden. De dochter danst en Peer kan het niet laten om ermee te spotten. Als gevolg hiervan wordt hij ter dood veroordeeld en vlucht. De trollen jagen hem na. De jacht stopt pas als er in de verte kerkklokken te horen zijn. Peer ontmoet vervolgens een Boygen, een vreemd vormloos wezen. Hij bedreigt Peer als er weer kerkklokken klinken kan hij ontsnappen.

 

In het derde bedrijf heeft Peer Gynt een hut gebouwd en woont daar samen met de loyale Solveig. Hij wordt achternagezeten door de vrouw in het groen en hun zoon. Hij voelt zich de liefde van Solveig niet waard en gaat er vandoor naar zijn moeder. Hij vindt haar stervend. Na Åses dood begint het vierde bedrijf.

 

Dit vierde bedrijf is het lastigste als toneelstuk. Peer Gynt zit ineens in Afrika en beleeft allerlei vreemde avonturen. Hij blijkt nu een handelaar van middelbare leeftijd te zijn. De muziek illustreert hier diverse scènes. Het begint met “Morgenstemming”, een zonsopgang in de Sahara. Daarna komt een scène met de dief en de ontvanger. Zij hebben het paard en de kleren van de keizer gestolen. Als ze Peer zien, laten ze de buit achter en vluchten. Peer neemt de schatten over. Hij wordt vervolgens als een groot profeet ontvangen in een Bedoeïenenkamp. Hij wordt daar vermaakt met een Arabische dans, gevolgd door Anitra’s dans, die gedanst wordt door de dochter van de hoofdman. Daarna wordt Peer gevraagd een lied te zingen. Vervolgens is er een dialoog tussen Peer en Anitra, terwijl zij paardrijden. Aan het eind verlaat Anitra Peer.

In een intermezzo keren we terug naar Noorwegen. Daar zingt Solveig een lied terwijl ze trouw wacht op de terugkeer van Peer.

De akte wordt besloten met Peer Gynt die het standbeeld van Memmon bezoekt.

 

In het laatste bedrijf is Peer Gynt een oude man en is op de terugreis naar Noorwegen. Hij komt in een zware storm terecht en lijdt schipbreuk. Hij komt aan land en allerlei jeugdherinneringen komen terug. Solveig hoort hij in de hut zingen, maar hij is niet klaar om haar te ontmoeten. Dan volgt er een nachtelijke scène op een zwartgeblakerde hei. Peer wordt verontrust door de wind die door de twijgen speelt en dauwdruppels die zachtjes vallen. Die herinneren hem aan alles wat hij nagelaten heeft. In de verte hoort hij de stem van zijn moeder. Een rondtrekkende knopengieter, een doodsfiguur, verschijnt. Deze nacht zal hij Peer opeisen, als deze niet kan bewijzen, dat hij zichzelf trouw is gebleven. De oude bergkoning en de duivel slagen er niet in om hem hiermee te helpen. Wanhopig luistert Peer naar kerkgangers, die een opstandingslied zingen. Tenslotte gaat hij toch de hut binnen en begroet Solveig. Zij is nu oud en blind, maar nog steeds vol liefde en vergeving. Als de knopengieter van buiten roept, dat hij op Peer wacht bij de kruising, dan zingt Solveig Peer met een wiegenliedje in slaap.

 

 

De Notenkraker

Op 19 maart 1892 ging het ballet De Notenkraker in première.

Het verhaal speelt zich af ergens in Duitsland in de 18e eeuw. Burgermeester Silberhaus, zijn vrouw en hun gasten versieren de kerstboom. Hun beide kinderen, Klara en Fritz, dansen om de kerstboom (mars). Daarna dansen hun ouders een bescheiden polonaise. Drosselmeyer, de peetoom van de kinderen komt binnen en geeft aan Klara een pop en aan Fritz een soldaat. Hij geeft nog een aantal opwind­poppen die gaan dansen als ze opgewonden zijn. De kinderen protesteren als ze naar bed worden gestuurd. De peetoom geeft ze een notenkraker als ze zonder hun speelgoed naar bed moeten. Fritz probeert een noot te kraken, dat lukt niet, er breken slechts enkele tanden van de notenkraker af. Boos gooit hij de notenkraker aan de kant. Klara verpleegt de notenkraker en zingt een wiegeliedje voor hem. ’s Nachts als ze niet kan slapen gaat Klara naar beneden om naar haar patiënt te kijken. Ze schrikt van een heleboel muizen, die vanachter de houten wandbekleding naar buiten zijn gekomen. Tussen de muizen en de speelgoedsoldaten onder leiding van de notenkraker breekt een strijd uit. Klara gooit haar pantoffel naar de muizenkoning. Zo winnen de speelgoed­soldaten en wordt de betovering van de Notenkraker verbroken en blijkt hij een prins te zijn. Hij mag nu terugkeren naar zijn land. Uit dankbaarheid neemt hij Klara mee. Zij gaan in de nacht door een bos en met de wals van de sneeuwvlokken wordt de eerste akte afgesloten.

In de tweede akte is het paar aangekomen in de stad Suikerberg, waar alle personen en gebouwen van zoetigheid zijn. In het toverslot van Suikerberg wordt een groot bal gegeven om het paar te huldigen en hun dank te brengen. Een Spaanse dans moet de chocola voorstellen, een Arabische dans koffie, een Chinese dans thee. Er volgen nog meer dansen (o.a. Trepak en Danse des mirlitons). De bloemenwals vormt de afsluiting van het bal. Daarna dansen de Notenkraker en de Suikerfee samen. In de finale komen alle deelnemers op voor een allerlaatste dans.