Beethoven, Eerste Symphonie [1]

Wie thans de symphonische eersteling van Beethoven hoort, zal nauwelijks geloven, dat zij het resultaat is van zeven jaar arbeid; de eerste opzet is van 1791. Hier nog niets van de toekomstige Titaan. En toch bespeurt men, dat de nauwelijks volwassen kunstenaarsgestalte van zwaarder bouw was, dan zijn voorgangers, waarmee hij aanvankelijk zoveel trekken gemeen had. Beethoven’s tijdgenoten dachten er anders over: de critiek vond het stuk moeilijk en wat overladen, al erkende zij er ook de goede kwaliteiten van; dra was de symphonie een lievelingsstuk van het publiek.

 

I. De eerste maat is reeds een manifest van onafhankelijkheid; iets ongehoords toen met een dissonerend accoord te beginnen. Dan echter herinnert de langzame inleiding aan Haydn. Het daarbij aansluitende Allegro con brio is zonder mozart’s Jupiter symphonie niet denkbaar; tegen het eind van de verwerking krijgt men een visioen van de Beethoven uit latere tijd

 

II. Het liefelijke Andante cantabile con moto, aanvankelijk fugatisch behandeld, brengt een echt Beethovense dramatiek, een toenemende spanning, die zich explosief ontlaadt, waarbij obsederende paukenslagen en koene intervalsprongen een nieuwe rol spelen.

 

III. Het Menuetto heeft, ondanks zijn naam, reeds het karakter van een Scherzo. De vriendelijke dwaallichtjes maken in het Trio grapjes, telkens weer schieten de rustige accoorddeiningen van de blazers speels uit in de dartele loopjes van de violen.

 

IV De inzet van de finale is buitengewoon geestig. Adagio beginnen de violen hun boeiend verhaal; het langzaan uitgroeien van het motiefje, de aandacht trekkende rusten geven de indruk, dat een meesterlijk verteller ons op een spannende geschiedenis gaat vergasten, doch plotseling versnelt zich het reciet tot een schalks Rondo in de trant van Haydn.

[1] Overgenomen uit Höweler, kolom 91 en 92. Originele spelling ongewijzigd overgenomen. Alinea-indeling toegevoegd.