Schuberts 3e symfonie (1)

De 3e symfonie van Schubert is conservatiever en korter, dan haar twee voorgangers. Schubert begon er op 24 mei 1815 aan en schreef de inleiding van het eerste deel en enkele bladzijde van het snelle vervolg. Daarna legde hij het aan de kant en schreef een aantal liederen, een Salve Regina en een opera in 1 acte “Fernando”. Daarna pakte hij in juli de draad weer op en voltooide in 8 dagen zijn 3e symfonie op 19 juli 1815.

De symfonie kijkt terug naar de tijd van Haydn en Mozart. De tonaliteit is eenvoudig gehouden: alle delen staan in D groot behalve het langzame deel, dat staat in G groot. De kunst van het schrijven van een symfonie is om met thema’s te komen, die zich lenen voor ontwikkeling als onderdeel van de sonatevorm. Schubert was in de eerste plaats een componist van melodieën. Een goede melodie is per definitie nog niet een geschikt thema in een sonatevorm. Maar daar wist Schubert wel een mouw aan te passen. Laten we het eerste deel van de symfonie eens nader bekijken.

Het eerste deel begint met een langzame inleiding (adagio maestoso). In de 10e maat zou de start van het snelle gedeelte verwacht kunnen worden, maar Schubert gaat naar de toonsoort van F groot (letter A). 

Na de inleiding volgt de expositie met het eerste thema (Allegro con brio). Dat thema wordt gevolgd door wat je de na-expositie kunt noemen. Bij letter B begint een nieuwe gedachte met interessant materiaal voor de doorwerking.

Binnen het allegro con brio is dit een nieuw idee, maar het komt voort uit de langzame inleiding. Vergelijk eens maat 4 van de 1e violen met maat 35.

 
Als dit even snel moet klinken, dan moet het allegro con brio dus tweemaal zo snel zijn als het adagio maestoso.

Bij letter C begint de expositie van het tweede thema in de 1e hobo, dat idee is ontsproten aan de na-expositie van eerste thema. Vergelijk eerste vier noten van de 1e hobo bij letter C met derde maat van B uit de 1e viool.


Bij letter D worden in de codetta de thema’s met elkaar verknoopt en zo wordt de expositie afgesloten.

Na de herhaling van de expositie volgt de doorwerking. Schubert pakt maar een thema op en gaat daarmee aan de slag. Hij gaat door diverse toonsoorten. Hij begint in F groot en eindigt zoals het hoort in A groot om daarna de reprise te kunnen starten. In het begin van de doorwerking zet hij om de vier maten een accent door een akkoord, dat wordt om de twee maten en dan elke maat om vervolgens in lange noten weer tot rust te komen.

De reprise begint met letter G (vergelijk begin allegro con brio), daarna de na-expositie van het eerste thema (letter H; vergelijk letter B). Het tweede thema komt terug bij letter I (maar nu in 1e klarinet; vergelijk letter C). Bij letter K (vergelijk letter D) volgt de coda en sluit het eerste deel af zoals deze begon met een D voor alle instrumenten.

 

 

Schuberts 3e symfonie (2)

Het tweede deel is in de A-B-A-vorm. De A-delen zijn in G groot en het B-deel is in C groot. Het ritme heeft aan het begin een patroon van twee maten: vier achtsten, gepunteerde achtste, zestiende, 2 achtsten. Zie voorbeeld uit 1e vioolpartij.

Dit gaat 22 maten zo door Daarna krijgt het patroon van de tweede maat het alleenrecht. Er lijkt een climax aan te komen, maar plotseling pianissimo (maat 24). De hobo’s en fagotten zetten het tweede ritme weer in (maat 28), waarna een laatste herhaling van het thema het A-deel afsluit.

In het B-deel (letter B) zijn in vier maten, vier verschillende ritmische patronen te zien. Zie de klarinetten en hobo’s.

 

 

Schuberts 3e symfonie (3)

Voor het menuet keert Schubert weer terug naar de toonsoort D groot en blijft ook in het trio in deze toonsoort. In het trio beperkt hij de instrumentatie tot 1 hobo, 1 fagot en strijkers.

Het vierde deel is in de sonatevorm. De expositie (gedeelte tot aan de dubbele streep) bestaat uit een eerste themagroep in D groot en een tweede themagroep in G groot, gevolgd door een codetta in A groot. Dat is niet zoals het traditioneel hoort. De tweede themagroep behoort in A groot te staan. Na een korte doorwerking (begint onder het 2-tje) komt de herhaling (recapitulatie) van de expositie. Ook hier wijkt Schubert van het normale schema af. Dat schrijft voor dat de eerste en tweede themagroep en de codetta allemaal in D groot staan. Schubert zet de eerste themagroep in A groot en maakt dan dezelfde sprong als in de expositie en komt zo in D groot uit voor de tweede themagroep. De codetta blijft nu netjes in D groot, zodat de symfonie netjes op de D kan eindigen, zoals deze ook begonnen is.

Arno.