Mahler (1)

 

In de tijd dat we met de 4e symfonie van Mahler bezig waren, heb ik aandacht besteed aan zijn symfonieën. Henry-Louis de La Grange geeft in zijn monumentale Mahlerbiografie een opsomming van de voltooide werken van Mahler. Hij telt er twintig. De symfonieën (inclusief Das Lied von der Erde) zijn met elkaar 11 werken. Van de andere 9 zijn er zijn de meeste liederen. Het gaat om:

·         een deel voor pianokwartet in a klein,

·         3 liederen voor tenor en piano,

·         Das Klagende Lied,

·         5 liederen voor zangstem en piano (= deel 1 van Lieder und Gesänge),

·         4 Lieder eines fahrenden Gesellen voor zangstem en orkest,

·         9 Wunderhorn-Lieder voor zangstem en piano (= deel 2 en 3 van Lieder und Gesänge),

·         10 Wunderhorn-Lieder voor zangstem en orkest; de eerste vier zijn samen met het latere vierde deel van de vierde symfonie in 1892 als 5 Humoresken gepubliceerd.

·         7 Liederen, die postuum de titel Aus letzter Zeit hebben gekregen. Het gaat om nog 2 Wunderhorn-Lieder voor zangstem en orkest; 4 Rückert-Lieder voor zangstem en orkest en 1 Rückert-Lied voor zangstem en piano

·         5 Kindertotenlieder op teksten van Friedrich Rückert

 

In 1872, zes jaar na de door van Friedriech Rückert, werden de Kindertodtenlieder uitgegeven. Dat boekje bevatte 425 gedichten. Later werden er nog 18 gedichten aan toegevoegd. Zijn zoon Heinrich verklaarde dat deze gedichten in manuscript in omloop waren in de vrienden- en familiekring, maar dat zijn vader er nooit tot gekomen was om ze uit te geven.

 

Friedrich Rückert woonde met zijn vrouw en zes kinderen in Erlangen toen in 1833 de jongste, Luise (geboren 25 juni 1830) roodvonk opliep. Zij overleed op nieuwjaarsdag 1834. Haar broer Ernst (geboren 4 januari 1829) werd ook ziek en overleed 16 januari 1834. Nog drie andere kinderen kregen ook roodvonk, maar zij overleefden deze ziekte wel. De dichter was ontroostbaar. In de eerste zes maanden schreef hij de 425 gedichten, die 1872 zijn uitgegeven. Zijn zoon Heinrich verdeelde de gedichten over vier gedeelten: Lied en Leed, Ziekte en Dood, Winter en Voorjaar, Troost en Verheffing.

Na Heinrichs dood gaf zijn zus Marie dezelfde gedichten met nog 18 die later over hetzelfde thema zijn geschreven uit. Zij maakte een andere indeling: Leed; Troost en Verheffing, Tijd en Eeuwigheid; Ritornellen. Het is niet duidelijk welke van de twee versies Mahler heeft gebruikt. Zijn volgorde wijkt van beide af.

 

In de zomer van 1901 schreef Mahler 3 van de Kindertotenlieder. Dit zijn waarschijnlijk de nummers 1, 3 en 4. Het getal 3 in de titel van het handschrift van de derde is duidelijk een correctie van het getal 2. 3 en 4 zijn op hetzelfde soort papier geschreven. In 1904 voegde hij er twee liederen aan toe: 2 en 5. Voor deze gebruikte hij hetzelfde soort papier met 20 noten­balken. Voor de 2e had hij er maar 13 van nodig.

 

Het eerste lied “Nun will die Sonn’ so hell aufgehn” is het 115e gedicht van het 4e gedeelte van de 1872-editie.  Het gedicht heeft vier verzen van elk twee regels. De muziek van de strofes 1, 2 en 4 is nauw verwant. De 3e is sneller. De structuur lijkt daarmee op een AABA-vorm. Tussen de verzen is een tussen­spel. Die voor de derde strofe is afwijkend en vormt zo een contrastrijk midden voor dit lied. Het snellere tempo komt pas tijdens de 4e strofe weer tot rust. Bij cijfer 2 begint het tussenspel tussen strofe 1 en 2. Bij cijfer 5 tussenspel tussen 2 en 3. Bij cijfer 8 het tussenspel tussen de strofes 3 en 4. Bij cijfer 10 (halverwege strofe 4) keert het begintempo weer terug.

 

Mahler (2)

In vervolg op de vorige keer nu eerst nog de tekst van het eerste lied.

1.         Nun will die Sonn’ so hell aufgeh'n

Als sei kein Unglück die Nacht gescheh'n!

 

Das Unglück geschah nur mir allein!

Die Sonne, sie scheinet allgemein!

 

Du musst nicht die Nacht in dir verschränken,

Musst sie ins ew’ge Licht versenken!

 

Ein Lämplein verlosch in meinem Zelt

Heil sei dem Freudenlicht der Welt!

Het tweede lied “Nun seh Ich wohl, warum so dunkle Flammen” is gebaseerd op gedicht 70 uit het tweede gedeelte. Mahler maakt van dit sonnet (4+4+3+3 regels) een vierstrofig lied door de laatste twee strofes instrumentaal uit te breiden tot een vierregelige vorm. Het geheel heeft een ABCB-vorm. De eerste strofe begint in de maat voor cijfer 1. Halverwege de eerste strofe gaat Mahler van c klein naar C groot. In de maat voor cijfer 1a begint de tweede strofe. Ook van deze strofe is het eerste deel in c klein en het tweede deel in C groot. Deze strofe eindigt in de eerste maat van cijfer 2a. In de derde maat van cijfer 2a begint de derde strofe. Bij cijfer 3 gaat de muziek naar D groot en bij cijfer 4 naar g klein. In de zesde maat van cijfer 4 begint de vierde strofe. Bij cijfer 5 gaat de muziek naar Bes groot. Bij de vierde maat van cijfer komen we weer in C groot. In de derde maat van cijfer 6 keert de muziek terug naar c klein.

2.         Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen

Ihr sprühet mir in manchem Augenblicke

O Augen! O Augen! Gleichsam um voll in einem Blicke

Zu drängen, eure ganze Macht zusammen.

 

Doch ahnt ich nicht, weil Nebel mich umschwammen,

Gewoben, vom verleidenden Geschicke,

Dass sich der Strahl bereits zur Heimkehr schicke,

Dorthin, von wannen alle Strahlen stammen.

 

Ihr wolltet mir mit eurem Leuchten sagen

Wir möchten nach dir bleiben gerne!

Doch ist uns das vom Schicksal abgeschlagen.

 

Sieh uns nur an, denn bald sind wir dir Ferne!

Was dir nur die Augen sind in diesen Tagen:

In künft’gen Nächten sind es dir nur Sterne.

Het derde lied “Wenn dein Mütterlein” is gebaseerd op twee gedichten. In de oorspronkelijke uitgave zijn er twee gedichten met cijfer 56 in het tweede gedeelte (Ziekte en Dood). Mahler heeft deze gedichten met knip- en plakwerk omgewerkt tot een gedicht met twee verzen. Elk vers is in tweeën gedeeld. Het eerste deel wordt gespeeld door de blazers met pizzicati van de strijkers, het tweede door de hoorns en de lage strijkers. Het geheel heeft daardoor een ABAB-vorm gekregen.

Het lied begint met een voorspel van 7 maten. Daarna begint het eerste vers. Het B-gedeelte begint in de vierde maat van cijfer 1. In de eerste maat van cijfer 3 eindigt het eerste vers en volgt er een tussenspel. Bij cijfer 4 begint het tweede vers. Bij cijfer 6 begint het B-gedeelte. Het tweede vers eindigt in de eerste maat van cijfer 9, daarna volgt nog een naspel.

3.         Wenn dein Mütterlein

tritt zur Tür hinein,

Und den Kopf ich drehe,

ihr entgegen sehe,

Fällt auf ihr Gesicht

erst der Blick mir nicht,

Sondern auf die Stelle,

näher nach der Schwelle,

Dort, wo würde dein

lieb Gesichtchen sein,

Wenn du freudenhelle

trätest mit herein,

Wie sonst, mein Töchterlein.

           

Wenn dein Mütterlein

tritt zur Tür herein,

Mit der Kerze Schimmer,

ist es mir, als immer

Kämst du mit herein,

huschtest hiterdrein,

Als wie sonst ins Zimmer!

Oh du, des Vaters Zelle,

Ach, zu schnelle

erloschner Freudenschein!

 

 

Mahler (3)

 

Het vierde lied is het 47e gedicht uit het laatste deel (Trost und Erhebung) van de oorspronkelijke bundel. Het gedicht heeft drie strofen van vier regels. Mahler heeft alleen kleine details veranderd. Het lied is in de ABABAB vorm. Na een kort voorspel begint de eerste strofe (A-deel). Met de opmaat van 2 begint het tweede (B)-deel van de strofe. De opmaat van cijfer 3 is de start van het A-deel van de tweede strofe. Bij cijfer 4 zijn we aangeland bij het B-deel van de tweede strofe. Dit deel wordt instrumentaal verlengd. Cijfer 5 is de start van het A-deel van de derde strofe. Bij cijfer 7 volgt het B-deel.

Mahler speelt in dit lied met mineur en majeur. Hij begint in Es groot en start vervolgens steeds het A-deel van een strofe in es klein. Het B-deel begint in de majeur parallel daarvan Ges groot.

Dit is het eerste lied waarin een beetje hoop begint te gloren. Dit is een vooruitwijzing naar de aanvaarding in het slot van het laatste lied.

 

4.         Oft denk’ ich sie sind nur ausgegangen!

Bald werden sie wieder nach Hause gelangen!

Der tag ist schön! Oh sei nicht bang!

Sie machen nur einen weiten Gang!

 

Jawohl, sie sind nur ausgegangen

Und werden jetzt nach Hause gelangen!

Oh sei nicht bang, der Tag ist schön!

Sie machen nur den gang zu jenen Höh’n!

 

Sie sind uns nur vorausgegangen

Und werden nicht wieder nach Haus verlangen!

Wir holen sie ein auf jenen Höh’n!

Im Sonnenschein! Der Tag ist schön auf jenen Höh’n!

 

 

Het vijfde lied is gebaseerd op gedicht 83 uit het laatste deel. Het oorspronkelijke gedicht had vier strofen van vier regels. In de eerste drie heeft Mahler alleen enkele kleine aanpassingen gemaakt. Na het derde vers herhaalt hij het eerste vers met daarin het woord Braus vervangen door Graus. De vierde strofe van het gedicht wordt het vijfde vers van het lied. In de eerste regel voegt hij “in diesem Saus” toe en aan het eind herhaalt hij de tweede regel.

Het tonale schema is redelijk eenvoudig. De eerste vier verzen zijn vrijwel geheel in d klein. Het laatste vers is bijna een lied op zich en is in D groot.

Het lied begint met een instrumentale uitbeelding van de storm. Bij de opmaat van cijfer 2 begint het eerste vers. Bij cijfer 3 is er één maat tussenspel en volgt gelijk het tweede vers. Cijfer 4 is het begin van opnieuw een tussenspel, nu zeven maten. Daarna volgt het derde vers. Een maat voor cijfer 6 begint weer een tussenspel (negen maten). Drie maten voor cijfer 7 begint het vierde vers. Na elke regel zijn er een tot drie maten zonder zang. Een maat voor cijfer 8 begint de overgang van d klein naar D groot. Bij “Langsam wie ein Wiegenlied” begint het laatste vers. Bij cijfer 10 volgt het naspel. Met vrede en hoop in het laatste vers wordt de liederencyclus afgesloten.

 

5.         In diesem Wetter, in diesem Braus,

Nie hätt’ ich gesendet die Kinder hinaus!

Man hat sie getragen hinaus,

Ich durfte nichts dazu sagen!

 

In diesem Wetter, in diesem Saus,

Nie hätt’ ich gesendet die Kinder hinaus!

Ich fürchtete, sie erkranken;

Das sind nur eitle Gedanken,

 

In diesem Wetter, in diesem Graus,

Nie hätt’ ich gesendet die Kinder hinaus!

Ich sorgte sie stürben Morgen;

Das ist nun nicht zu besorgen.

 

In diesem Wetter, in diesem Graus,

Nie hätt’ ich gesendet die Kinder hinaus!

Man hat sie getragen hinaus,

Ich durfte nichts dazu sagen!

 

In diesem Wetter, in diesem Saus, In diesem Braus,

Sie ruh’n als wie in der Mutter Haus,

Von keinem Sturm erschrecket

Von Gottes Hand bedecket,

Sie ruh’n wie in der Mutter Haus.

 

Deze liederencyclus is de eerste die voor zang en orkest is geschreven. Buiten de storm in het laatste deel probeert Mahler nergens beeldend te zijn. De muziek is bedoeld om direct de intieme gevoelens en emoties te ondersteunen.

Zaterdag na het concert sprak ik iemand, die zei dat we in het concert heel goed de sfeer hebben weten te treffen en over te brengen. Daarmee hebben we de bedoeling van Mahler gerealiseerd.

 

Arno.