Gabriel Fauré
Gabriel Urbain Fauré werd op 12 mei 1845 geboren in Pamiers.
Al op jonge leeftijd werd aan uitbesteed. Toen hij negen jaar was ging hij naar
de École Niedermeyer in Parijs waar kerkorganisten en koordirigenten werden
opgeleid. Hij studeerde daar onder andere piano bij Saint-Saëns. Toen hij na
elf jaar klaar was met zijn opleiding werd hij organist. Tijdens de Frans-Duitse
oorlog van 1870 nam hij dienst in het leger om de belegering van Parijs te
breken. Gedurende de Parijse commune was hij eerst in Rambouillet en later in
Zwitserland om de verplaatste École Niedermeyer les te geven.
In oktober 1871 keerde hij terug in Parijs. Hij werd
aangesteld als assistent organist in de Saint-Suplice en als begeleider van het
koor. Hij werd in deze tijd ook een regelmatige gast bij Saint-Saëns. In 1874
stopte hij met zijn werk in de Saint-Suplice en begon voor Saint-Saëns (die
regelmatig afwezig was) waar te nemen in Église de la Madeleine. Toen Saint-Saëns
in 1877 ontslag nam, kreeg Fauré de verantwoording voor het koor. In dat jaar
verloofde hij zich met Marianne Viardot. Zij brak later de verloving af. Fauré
ging toen op reis naar Weimar waar hij Liszt ontmoette en vervolgens naar Keulen
om daar een opvoering van Der Ring des Nibelungen van Wagner bij te wonen. Hij
bewonderde Wagner, maar is desondanks niet onder zijn invloed gekomen.
In 1883 trouwde Fauré met Marie Frémiet. Zij kregen twee
zonen. Om in hun onderhoud te voorzien was hij vooral bezig met de dagelijkse
erediensten te regelen in de Église de la Madeleine. Daarnaast gaf hij pianoles
en harmonie. Tijd om te componeren had alleen in de zomer. Zijn composities
brachten weinig op: hij kreeg per compositie 50 Franc. Daarvoor kreeg de
uitgever ook het copyright van hem. In deze tijd schreef hij diverse
grootschalige composities, die hij vervolgens terugtrok en vernietigde. Een
enkel goed idee behield hij voor later.
Fauré werd wel eens depressief van het gebrek aan succes. In
de negentiger jaren begon dat te veranderen.
Hij werd in 1892 benoemd tot inspecteur van de conservatoriums in de
provincies. Hierdoor behoefde hij niet langer les te geven aan amateurs. In 1896
werd hij eindelijk de hoofdorganist van de Église de la Madeleine en werd hij
ook docent compositie aan het conservatorium van Parijs. Zo gaf onder andere les
aan Maurice Ravel en Nadia Boulanger. Van 1903 tot 1921 werkte hij voor Le
Figaro. In 1905 werd hij directeur van het conservatorium. Enige jaren later
begon hij gehoorproblemen te krijgen. Deze probeerde hij te verdoezelen, maar in
1920 moest hij zijn baan daardoor opgeven. Ondanks de toenemende doofheid bleef
hij componeren. In zijn laatste jaren voltooide hij zijn tweede pianokwintet,
schreef een 13e barcarolle en een 13e nocturne voor piano
solo, 4 liederen onder de titel L’horizon chimérique, een tweede cellosonate,
een pianotrio en een strijkkwartet.
In 1920 ontving hij het Grand-Croix van het Légion
d’Honneur. Deze is zelden aan een musicus toegekend. Zijn verzwakte gezondheid
werd verder ondergraven doordat hij een stevige roker was. Hij overleed op 4
november 1924 aan een longontsteking. Hij kreeg een staatsbegrafenis in de Église
de la Madeleine en werd begraven op het Cimentière de Passy in Parijs.
Voor zijn eigen koorpraktijk schreef hij kerkmuziek waaronder
zijn bekende requiem. Fauré wordt vooral gezien als een componist van liederen,
pianomuziek en kamermuziek. De élegie, die wij spelen is oorspronkelijk een
deel van een onvoltooide sonate voor cello en piano. Hij heeft deze jaren later
op verzoek van een dirigent georkestreerd.
Heeft Fauré dan geen symfonieën of concerten geschreven.?
In de periode 1865 tot 1874 is hij bezig geweest met een Suite d’orchestre ook
wel een symfonie in F (opus 20) genoemd. Het eerste deel is later in
transcriptie voor pianovierhandig gepubliceerd als Allegro symphonique opus 68.
Het derde deel, een gavotte, was oorspronkelijk in 1869 voor piano geschreven en
is later gebruikt in de muzikale komedie Masques en Bergamasque opus 112, die
Fauré in 1918 schreef.
In 1878 was hij begonnen aan een vioolconcert in d klein
(opus 14). Hiervan is alleen het eerste deel voltooid. Thema’s uit dit deel
gebruikte hij in zijn laatste compositie, het strijkkwartet in e-klein opus 121
van 1924. Het tweede deel is weliswaar in 1878 uitgevoerd in een versie voor
viool en piano, maar is waarschijnlijk vernietigd. Sommige denken dat er in het
andante voor viool en piano (opus 75) nog iets terug te vinden is. Het derde
deel is in 1879 blijven steken in schetsen.
In 1884 schreef hij een symfonie in d klein opus 40. Deze
heeft hij vernietigd. Wel gebruikte hij thema’s hieruit in zijn tweede
vioolsonate in e klein (opus 108 van 1916/1917) en zijn eerste cellosonate in d
klein (opus 109 van 1917).
Arno